Wat is de betekenis van spoedig?

2024-04-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

spoedig

spoedig - Bijvoeglijk naamwoord 1. snel voltooid Ik wenste hem een spoedig herstel. spoedig - Bijwoord 1. binnen een kort tijdsbestek Uw bestelling zal zo spoedig mogelijk opgestuurd worden. Woordherkomst Afgeleid van spo...

2024-04-24
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

spoedig

spoedig - bijwoord uitspraak: spoe-dig 1. binnen korte tijd ♢ we zullen spoedig iets laten horen Bijwoord: spoe-dig Synoniemen binnenkort, eerdaags, gauw, weldra Tegenstellingen later

2024-04-24
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

spoedig

gou, dadelik.

2024-04-24
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Spoedig

adj. & adv., hastich, haestich, fluch; (adv.), gau, mei gauwens, mei koarten, aenstouns, aenst, ringen, tel.

2024-04-24
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-04-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

SPOEDIG

bn. bw. (-er, -st), 1. met voortvarendheid geschiedend, binnen korte tijd plaats vindend: spoedige afdoening; een spoedig antwoord; spoedige hulp verlenen: ten spoedigste, met de meeste spoed. 2. met snelle voortgang, binnen korte tijd: spoedig iets af maken; spoedig vertrekken, terugkomen; spoedig antwoorden; —...

2024-04-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

spoedig

bn., bw. (met spoed, haastig, vlug): een spoedig antwoord, gij moet spoedig komen; ten spoedigste, zo vlug mogelijk.

2024-04-24
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

spoedig

('spoedəch) 1. bn. en bw. (-er, -st) met spoed (geschiedend): een antwoord ; komen; ten -ste.Syn. → driftig. 2. bw. na korte tijd : kom -. Syn. → aanstonds. 3. tw. komaan, voortgemaakt.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-04-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

spoedig

bn. en bw. (-er, -st), 1. met voortvarendheid geschiedend; 2. binnen korte tijd plaatsvindend: een — antwoord.