SPIJTIG
bn. bw. (-er, -st), 1. (inz. Zuidn.) betreurenswaardig, teleurstellend, jammer: ik vind het erg spijtig; 2. geërgerd, ontstemd, geprikkeld, boos : hij wist zelf niet of hij blij moest zijn of spijtig; — door wrevel bits : een spijtig antwoord; spijtige woorden ; iem. spijtig bejegenen ; 3. (Zuidn.) droevig, bedroefd, verdrietig : wees...