Wat is de betekenis van Spijt?

2025-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

SPIJT

I. zn. v., g. mv., 1. (w. g.) ergernis, wrevel: hij zal van spijt nog bersten; — (Zuidn., zegsw.) tot spijt van wie ’t benijdt; 2. leedwezen over iets waarvan men het gevoel heeft dat het ook anders had kunnen zijn ; bep. het gevoel iets verzuimd te hebben : tot mijn spijt moest ik thuisblijven ; daar zul je geen spijt van hebben, het...

2025-12-05
Jannes H Mulder

Schrijver op Ensie

Spijt

Spijt is het gevoel dat iets zowel anders als beter had gekund. Het hebben van spijt betekent beseffen dat door eigen handelen of gedrag iets jammerlijk verkeerd is gegaan. Spijt is stilstaan bij eigen nalatigheid en kan leiden tot excuses en herstelgedrag. Een alledaags voorbeeld is iemand die per ongeluk op iemands tenen stapt en 'Sorry'...

2025-12-05
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

spijt

spijt - Zelfstandignaamwoord 1. ~ hebben over de wens koesteren een gemaakte keuze nog te kunnen veranderen Ik heb er spijt over weggegaan te zijn. 2. ten ~ ondanks Het slechte weer ten spijt is hij toch gekomen. spijt - ...

2025-12-05
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

spijt

spijt - zelfstandig naamwoord 1. het jammer vinden omdat je iets verkeerd hebt gedaan ♢ hij voelde spijt omdat hij zijn zoon niet geholpen had 1. ergens spijt van hebben [het jammer vinden] ...

2025-12-05
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

spijt

- tot spijt van wie 't benijdt, tot ergernis van wie het anders zou willen. Helaas: tot spijt van wie 't benijdt wil de zangeres volgend jaar naar het altaar stappen met haar verloofde Antonio. - GvA, 17-12-2002.

2025-12-05
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

spijt

Ondanks; in weerwil van, niettegenstaande; ook: ten spijt (als nabepaling). - Zie ook spijts. Spijt mist en ontij hadden heel wat studenten er aan gehouden hun prijs persoonlijk te komen ophalen, Knack 21/2/1973, p. 49. Alleen als mensen van geloof kunnen wij, spijt alles, voldoende hoop opbrengen om blijven lief te hebben, David...

2025-12-05
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Spijt

s., spyt, birou (it).

2025-12-05
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

spijt

I. v. (afval v. vlas bij ‘t hekelen). II. v. (1 verdriet, leedwezen; berouw; 2 wrok, gramschap, wrevel): 1. ergens spijt van hebben; ten (of: in) spijt van, eig. tot verdriet van, fig. ondanks: allerlei moeilijkheden ten spijt; Z.-N. zegsw. tot spijt van wie ‘t benijdt; 2. hij barst nog van spijt. III. vz. (ondanks): spijt allerlei mo...

2025-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

spijt

v./m. (g. mv.), 1. leedwezen, berouw, verdriet over iets dat men meent ten onrechte gedaan te hebben; ook door het gevoel iets verzuimd te hebben: daar zul je geen — van hebben, het is goed, voordelig om dat te doen, te kopen enz.; (iets zwakker dan) berouw: — van iets hebben; 2. wrok, wrevel; 3. ten, in — van, in weerwil van.

2025-12-05
Middelnederlandsch handwoordenboek

J. Verdam (1911)

Spijt

I. znw. m., vr. en o. 1) Als objectief begrip, smaad, hoon, krenking, smadelijke bejegening; enen s. doen. 2) subjectief, toorn, wrok, leedgevoel, spijt. 3) in s., ten spite van, tegen den zin van. II. znw. (verb. nv. spide). Werk van vlas.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-05
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Spijt

van 't Ofr. despit (thans dèpit) van ‘t Lat. despectus = = minachting, verachting, van de = weg, af, en den wt. spec = zien (zie Spiegel). Het woord w. d.z.: het met verachting op iets zien; of: het gezicht van iets afwenden uit afgunst; met spijtige blikken. Hieruit ontwikkelde zich ook de meer gunstige bet. van: leedwezen, berou...