Wat is de betekenis van Spijt?

2024-02-24
Jannes H Mulder

Jannes H Mulder (2024)

Spijt

Spijt is het gevoel dat iets zowel anders als beter had gekund. Spijt hebben is beseffen dat door eigen handelen of gedrag iets jammerlijk verkeerd is gegaan. Spijt is stilstaan bij eigen nalatigheid. Gevoelens van spijt leiden eventueel tot excuses. Bij drukte op iemands tenen staan en ‘Sorry’ zeggen. ‘Sorry, sorry’ is het...

2024-02-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

spijt

spijt - Zelfstandignaamwoord 1. ~ hebben over de wens koesteren een gemaakte keuze nog te kunnen veranderen Ik heb er spijt over weggegaan te zijn. 2. ten ~ ondanks Het slechte weer ten spijt is hij toch gekomen. spijt - ...

2024-02-24
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

spijt

spijt - zelfstandig naamwoord 1. het jammer vinden omdat je iets verkeerd hebt gedaan ♢ hij voelde spijt omdat hij zijn zoon niet geholpen had 1. ergens spijt van hebben [het jammer vinden] ...

2024-02-24
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

spijt

- tot spijt van wie 't benijdt, tot ergernis van wie het anders zou willen. Helaas: tot spijt van wie 't benijdt wil de zangeres volgend jaar naar het altaar stappen met haar verloofde Antonio. - GvA, 17-12-2002.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-24
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

spijt

Ondanks; in weerwil van, niettegenstaande; ook: ten spijt (als nabepaling). - Zie ook spijts. Spijt mist en ontij hadden heel wat studenten er aan gehouden hun prijs persoonlijk te komen ophalen, Knack 21/2/1973, p. 49. Alleen als mensen van geloof kunnen wij, spijt alles, voldoende hoop opbrengen om blijven lief te hebben, David...

2024-02-24
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Spijt

s., spyt, birou (it).

2024-02-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

SPIJT

I. zn. v., g. mv., 1. (w. g.) ergernis, wrevel: hij zal van spijt nog bersten; — (Zuidn., zegsw.) tot spijt van wie ’t benijdt; 2. leedwezen over iets waarvan men het gevoel heeft dat het ook anders had kunnen zijn ; bep. het gevoel iets verzuimd te hebben : tot mijn spijt moest ik thuisblijven ; daar zul je geen spijt van hebben, het...

2024-02-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

spijt

I. v. (afval v. vlas bij ‘t hekelen). II. v. (1 verdriet, leedwezen; berouw; 2 wrok, gramschap, wrevel): 1. ergens spijt van hebben; ten (of: in) spijt van, eig. tot verdriet van, fig. ondanks: allerlei moeilijkheden ten spijt; Z.-N. zegsw. tot spijt van wie ‘t benijdt; 2. hij barst nog van spijt. III. vz. (ondanks): spijt allerlei mo...

2024-02-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

spijt

v./m. (g. mv.), 1. leedwezen, berouw, verdriet over iets dat men meent ten onrechte gedaan te hebben; ook door het gevoel iets verzuimd te hebben: daar zul je geen — van hebben, het is goed, voordelig om dat te doen, te kopen enz.; (iets zwakker dan) berouw: — van iets hebben; 2. wrok, wrevel; 3. ten, in — van, in weerwil van.

2024-02-24
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Spijt

van 't Ofr. despit (thans dèpit) van ‘t Lat. despectus = = minachting, verachting, van de = weg, af, en den wt. spec = zien (zie Spiegel). Het woord w. d.z.: het met verachting op iets zien; of: het gezicht van iets afwenden uit afgunst; met spijtige blikken. Hieruit ontwikkelde zich ook de meer gunstige bet. van: leedwezen, berou...

2024-02-24
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Spijt

Het begrip spijt heeft 3 verschillende betekenissen: 1. spijt - SPIJT - v. leedwezen, verdriet: tot mijn spijt moest ik thuis blijven; berouw over iets: spijt van iets hebben, gevoelen; ten spijt van, in weerwil van; — verkropte gramschap : hij zal van spijt nog bersten; — (veroud.) in spijt van het slechte weer, ondanks, in weerwil v...

2024-02-24
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Spijt

zie Berouw.

2024-02-24
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Spijt

Spijt, v. (B.m. en v.), gmv. leedgevoel, hartverdriet; hinder; ten - van, ondanks. *-, afval van vlas bij het hekelen. *-EN, onp. w. ong. (het speet, heeft gespeten), spijt veroorzaken; het zal u -, gij zult er berouw van hebben. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. verdrietig, hinderlijk; bits, vinnig. -HEID, v. bitsheid, toorn.

2024-02-24
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Spijt

Iracundia, stomachus, indignatio: & Despectus, contumelia, opproprobium, odium. Spijt iemanden doen. Vrere aliquem, aegrè alicui facere. Te spijte van v. Odio tui velisnolis, te inuito. gal. despit: ang. spite, despite.