Wat is de betekenis van SNOET?

2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

SNOET

m. (-en), 1. vooruitstekend gedeelte van de kop van sommige dieren, gevormd door neus en mond; 2. (smalend) mond: hij stond met de jeneverfles aan zijn snoet; hou je snoet! zwijg!; 3. gezicht: een lelijke snoet hebben; 4. (plat) portret; 5. lieverd, schat.

2025-12-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

snoet

1) (17e eeuw) (inf.) mond. Vgl. snuit*. Reeds terug te vinden in de 'Historie van den Heer Willem Leevend' (1784-1785) van Bekker E. (wed. Wolff). • snoet = snuit, ruw uitgedrukt voor: mond; hij v l op zien snoet. (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895) • Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte ha...

2025-12-17
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

snoet

snoet - zelfstandig naamwoord 1. voorkant van het hoofd ♢ wat een lief snoetje heeft dat kind! Zelfstandig naamwoord: snoet de snoet de snoeten het snoetje Synoniemen...

2025-12-17
Culinair van a tot z

Peter Joh. M. Zuidweg (2016)

snoet

Ook wel aangeduid met ‘snuit’. Het is vlees van de kalf- of rundersnuit. Het vlees wordt in lange reepjes gesneden, bedekt met een pikante saus en als salade geserveerd.

2025-12-17
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

snoet

slurp, snuit, neus; bek.

2025-12-17
Boevenjargon

Professor Henry Roskam (1949)

Snoet

lieverd; schat. Dag snoet.

2025-12-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

snoet

m. snoeten (snuit): de snoet v. e. varken, hond enz.; fig. een aardig snoetje, gezichtje.

2025-12-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

snoet

m. (-en; -je) 1. snuit : de van een varken; Plat. hou je -, zwijg. Syn. → bek. 2. Gemz. gezicht : een aardig -je.

2025-12-17
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

snoet

snoet zn. 'snuit, bek' categorie: waarschijnlijk substraatwoord Vnnl. snoet 'bek, mond, voorkant van het gezicht' in de samenstelling snoetdoecken 'doekjes voor het afvegen van de mond' [1665; iWNT voorschoot]; nnl. Zwyg ... of je krygt een konkel voor je Snoet [1722; iWNT konkel I], snoet '...

2025-12-17
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Snoet

zie Bek.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

SNOET

SNOET - m. (-en), (plat) snuit: hou-je snoet, zwijg; — gezicht: een leelijken snoet hebben. SNOETJE, o. (-s), (gemeenz.) gezichtje: zij heeft, is een aardig snoetje.