Wat is de betekenis van SNOEPERIG?

1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Snoeperig

adj., pril, mûzich, kibich, krudich; kreas, krudich en noch hwat.

1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

SNOEPERIG

bn. bw. (-er, -st), 1. (w. g.) tot snoepen, geneigd, snoepachtig; 2. (dameswoord, thans niet gewoon meer) erg lief, schattig: een snoeperig hoedje.

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

snoeperig

bn. (lief, aardig): een snoeperig jurkje, een snoeperig mutsje.

1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

snoeperig

('snoepərach) bn. en bw. (-er, -st) 1. snoepachtig. 2. bekoorlijk lief ; een meisje; een jurkje. Syn. → aanminnig.

Lees verder
1898
2022-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SNOEPERIG

SNOEPERIG - bn. bw. (-er, -st), snoepachtig; (ook) snoepig. SNOEPERIGHEID, v.

1898
2022-11-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Snoeperig

zie Aanminnig.