Wat is de betekenis van Smaad?

2021
2022-08-17
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Smaad

Smaad is een vorm van belediging waarbij men opzettelijk iemands goede naam en eer aantast door deze persoon van iets te beschuldigen. De bedoeling hiervan is dat deze beschuldiging openbaar wordt. Het doel van smaad is het ruïneren van de reputatie van het slachtoffer. Bij smaad moet er worden voldaan aan drie voorwaarden. Dit zijn: het opzettelij...

Lees verder
2015
2022-08-17
De Communicatie professional

De Communicatie professional

smaad

Het opzettelijk publiekelijk zwartmaken van een ander om de reputatie van het slachtoffer te ruïneren.

1952
2022-08-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Smaad

s., smaed, hún, forsprek (it).

1950
2022-08-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

SMAAD

m., g. mv., bejegening die iemands eer, goede naam of aanzien aantast, opzettelijke grievende belediging : iem. smaad aandoen ; smaad lijden, ondervinden ; zich iets tot smaad aanrekenen ; het misdrijf van smaad, opzettelijke aanranding van iemands eer of goede naam door tenlastelegging van een bepaald feit, met h...

Lees verder
1937
2022-08-17
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

smaad

m. (hoon: een bijzondere vorm van belediging, rechtst. het opzettelijk aanranders van iems. eer of goede naam door hei ten laste leggen van een bepaald feit met het kennelijk doel daaraan ruchtbaarheid te geven; in België: belediging van een openbaar officier, zie officier): iem. smaad aandoen; de smaad uitwissen; België: smaad plegen teg...

Lees verder
1933
2022-08-17
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Smaad

het opzettelijk aanranden v. iemands eer of goeden naam d/h ten laste leggen v/e bepaald feit, m/h kennelijk doel, daaraan ruchtbaarheid te geven.

1933
2022-08-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Smaad

(Ned. recht) is aanranding van iemands eer of goeden naam, door telastelegging van een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven (art. 261 W. v. S.). Voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging, is er geen strafbaarheid. Onnoodig schimpende bewoordingen doen...

Lees verder
1926
2022-08-17
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Smaad

beteekent in de Schrift: I. De vernedering, over Gods oude volk gekomen om zijner zonden wil, Jozua 5 : 9, 1 Sam. 17 : 26, Ps. 89 . 42, Jes. 54 : 4, Ezech. 22 : 4, 34 : 29, 36:6, 15, Hosea 12:15. II. De verachting van den Messias, Ps. 22:7, 69:11, of van het Woord Gods, Jerem. 6:10,20:8. III. De onverdiende beschimping der onschuldigen en vromen...

Lees verder
1916
2022-08-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Smaad

Smaad - Hij, die opzettelijk iemands eer of goeden naam aantast, door ten lastelegging van een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden of boete van t. h. ƒ 300. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspre...

Lees verder
1898
2022-08-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SMAAD

SMAAD - m. hoon, beleediging : iem. smaad aandoen, hem smaden; smaad lijden, ondervinden; zich tot smaad aanrekenen. SMAADHEID, v. (...heden).

Lees verder