SLIP
I. v. (-pen), 1. (Zuidn.) spleet, split, insnijding: wij maken de slip maar wat dieper (Conscience); 2. afhangend deel, afhangende punt van een kledingstuk: de slippen van een hemd; een jas met slippen; — iem. bij de slippen grijpen, hem aanhouden om zijn hulp in te roepen of zijn aandacht te vragen; (ook) hem bel...