Slap
bn. bw. (-per, -st), 1. los neerhangend, niet strak, niet gespannen: op het slappe koord dansen; — het touw hangt slap; de zeilen hangen slap, de wind doet ze niet zwellen; 2. (van weefsels, kleren) niet stijf, zeer plooibaar, buigzaam: een slappe hoed; een slappe boord, halsboord die niet gesteven is; s...