Wat is de betekenis van SLANK?

2019
2022-12-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

slank

slank - Bijvoeglijk naamwoord 1. vrij van overtollig vet

Lees verder
2018
2022-12-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

slank

slank - bijvoeglijk naamwoord 1. tamelijk dun, maar niet mager ♢ de moeder van Ilse is slank 1. zo slank als een den [heel slank] Bijvoeglijk naamwoord: slank ... is sla...

Lees verder
1952
2022-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Slank

adj., klien, slank; -er worden, slankje.

1950
2022-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Slank

bn. bw. (-er, -st), lang, recht en enigszins smal, doch zo dat de proporties der afmetingen een harmonische indruk maken: slank van lijf en leden; zijn slanke gestalte komt in die kleding goed uit; dat meisje is nogal slank, is betrekkelijk dun van lichaam; herten zijn slanke dieren, dun van lijf en los in de bewegingen;...

Lees verder
1937
2022-12-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

slank

van de stam van slinken, 1. bn. (smal, recht en enigszins lang maar toch evenredig en krachtig): slank van leest; het slanke meisje, slanke vingers; een slanke toren, slanke populieren; ook: een slanke vaas; 2. bw.: slank oprijzende torens.

Lees verder
1930
2022-12-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

slank

bn. en bw. (-er, -st) [slinken] smal en elegant, lang : een jongmens; welgevormd van lijf en leden; zijn -e gestalte komt in die kleding goed uit; een -e gestalte; -e herten, populieren, torens ; een opgeschoten meisje. Syn. → dun.

1911
2022-12-01
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Slank

van slinken = inkrimpen, dunner worden; bijv. de voorraad slinkt, de opgezette wonde slinkt; vandaar is slank: dun, buigzaam, lenig.

1898
2022-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SLANK

SLANK - bn. (-er, -st), lang en recht gegroeid : een slanke boom ; slank van lijf en leden ; zijne slanke gestalte komt in die kleeding goed uit; — dat meisje is nogal slank, is betrekkelijk dun van lichaam ; — herten zijn slanke dieren, dun van lijf en los in de bewegingen; — slanke pooten, fijn en teer; — dat paard heef...

Lees verder
1898
2022-12-01
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Slank

zie Dun.

1864
2022-12-01
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Slank

Slank, bn. (-er, -st), rijzig, lang. *-HEID, v. gmv. rijzige gestalte.

Lees verder