Synoniemen van slag

2019-10-20

slag

slag - zelfstandig naamwoord 1. keer dat iemand geslagen wordt ♢ hij kreeg een slag in zijn gezicht 1. wie is aan slag? [aan de beurt om te slaan] 2. zonder slag of stoot [zonder problemen] 2. keer dat je slaat ♢ met ...

2019-10-20

slag

slag: beslissende ontsnapping. Ook: hapering, deuk in het wiel als gevolg van een val of een harde slag van het wiel in een put in de weg.

2019-10-20

Slag

1. de - missen, wielrennersslang voor ‘niet in de goede (lees: beslissende) ontsnapping zitten’. Slag is een wielerterm voor een vorm van combine (vgl. 3). De Zwitsers misten de slag in de etappe, waarin de renners veel last hadden van de hitte. (NRC Handelsblad, 17/06/88) Het komt niet vaak voor dat hij de slag mist. Daaraan herken je de vedette. (De Volkskrant, 23/07/88) Voor Nederland was Heleen Hage mee, Amerika had Bunki Bankaitis, Noorwegen de ijzersterke Unni Larsen en Frankrijk Vale...

2019-10-20

slag

Vier achtereenvolgens gespeelde kaarten, door iedere speler één te beginnen met degene die aan de beurt was om voor te spelen. Aangezien iedere speler in aanvang dertien kaarten heeft, bestaat elk spel uit dertien slagen.

2019-10-20

slag

slag - Zelfstandignaamwoord 1. (m) (militair) militair treffen Adolf van Nassau bleef in de slag. 2. (m) het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand De slagen regenden neer op zijn gezicht. 3. (m) (figuurlijk) een pijnlijke of nadelige gebeurtenis Hij kreeg slag op slag te verwerken, eerst stierf zi...

2019-10-20

slag

(de; -en) (de golfregels) - voorwaartse beweging van een golfstok, gedaan met de bedoeling de bal te slaan en in beweging te brengen, syn. stroke, shot: blinde slag (Eng. ‘blind shot’), slag waarbij de landingsplek op de fairway, de green of de vlag niet zichtbaar is; slag in de lucht, luchtslag (Eng. ‘airshot’), misslag waarbij alleen lucht wordt geraakt, maar die wel als slag voor de score telt; vette slag (Eng. fat shot), slag waarbij de bal vet (ook: dik, zwaar) geraakt wordt, d.w.z....

2019-10-20

Slag

Slag - 'in de slag gaan met': een afspraak maken met een andere renner. Fr. être dans le coup = ergens bij betrokken zijn. 'De slag missen': niet in de goede ontsnapping zitten, maar nog niet definitief verslagen zijn. 'Door de slag heenrijden': afspraken in de wind slaan. 'Een slaggie maken': een afspraak maken met andere renners om elkaar te steunen in de koers en om samen te delen in de winst. Ook: in de slag zitten, in de slag gaan.

2019-10-20

slag

(de; -en) 1 - snelle en besliste, meestal onverwachte handeling, waarmee men zich van enig voordeel tracht te verzekeren: in de slag zitten, gaan; (spreektaal) een slaggie maken, een afspraak maken met andere dan eigen ploeggenoten om elkaar te helpen of de (financiële) winst te delen; door de slag heenrijden, gemaakte afspraken negeren. 2 - strijd, ontsnapping: de goede, juiste slag missen, niet op het goede, juiste moment aanwezig zijn of niet opletten bij een ontsnapping die later beslissend...

2019-10-20

Slag

Slag - gezeilde afstand tussen twee maal overstag gaan.

2019-10-20

Slag

zie Gevecht.

2019-10-20

Slag

(veeteeltkundig), een groep van dieren van eenzelfde ras, die speciale erfelijke of niet erfelijke eigenschappen bezitten, die niet karakteristiek zijn voor het geheele ras. De begrippen ras en s. worden dikwijls door elkaar gebruikt, bijv. Friesch-Hollandsch zwartbont veeslag, roodbont Maas-Rijn-IJselveeslag; Groninger blaaskopveeslag. Verheij.