Wat is de betekenis van Sjoeg?

2024-07-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

sjoeg

1) (1903) (bijv. naamw.) (Barg.) gek, zot. Verkort uit mesjo(e)ge. • Maar die sjoege bootwerker was met ze zatte kop na de pelisie geloope om 't zelf an te geve, - zoo'n gocheme bliksem! (M.J. Brusse: Boefje. 1903) • ‘Maid, jij ben sjoeg’ - relde Keetje met 'r rauwe dronkige stem liederlijk uit. (M.J. Brusse: Het rosse leven...

2024-07-18
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Sjoeg

niet - Bargoens voor ‘gek, dwaas’. Ook halfsjoeg ‘halfgek; halfwijs’. Een verkorting van een ander Bargoens woord: mesjogge. Wellicht eveneens onder invloed van sjoege ‘ken-nis, verstand’ (zie sjoege). Ach man, je bent niet sjoeg! (Piet Bakker: Cis de Man, 1947)

2024-07-18
Woordenboekje Nederlandse Jiddisch

H. Beem (1975)

Sjoeg

gek, zot; verbasterd uit mesjoege; zie mesjoche; alleen Nederlandse volkstaal.

2024-07-18
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Sjoeg

(Barg.) gek, krankzinnige

2024-07-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Sjoeg

(verkort uit mesjoege <Hebr.), bn., gek, zot.