Wat is de betekenis van sinister?

2024-02-28
Onze Taal Woordpost

Genootschap Onze Taal (2020)

sinister

onheilspellend, duister, boosaardig uitspraak [sie-nis-tuhr] citaat “Morissette getuigde in de rechtszaak tegen hem. ‘Hij verduisterde het geld op een systematische en sinistere manier’, zei ze. ‘Als het nog drie jaar was doorgegaan, dan was ik failliet gegaan.’” Bron: woordfeit Sinister komt uit het Latijn. H...

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

sinister

sinister - Bijvoeglijk naamwoord 1. onheilspellend

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

sinister

sinister - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: si-nis-ter 1. wat vervelende, onplezierige dingen aankondigt ♢ hij had een sinistere blik in zijn ogen Bijvoeglijk naamwoord: si-nis-ter de/het sinistere ... ...

2024-02-28
Nederlands Logopedisch Lexicon

L.J.M. Bogaert (2007)

Sinister

(bn.), links.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Woordenboek vreemde woorden

A. Kolsteren en Ewoud Sanders (1994)

Sinister

[Lat. = links, aan de linkerkant, een ongelukkig voorteken gevend] onheilspellend, onguur, ongunstig van uiterlijk.

2024-02-28
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Sinister

onheil(spellend)

2024-02-28
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

sinister

verkeerd; somber; skrikwekkend; grusaam.

2024-02-28
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Sinister

onheilspellend, duister, snood.

2024-02-28
Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V. (1954)

Sinister

Lat. voor linker, vgl. dexter.

2024-02-28
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

sinister

1. linker; 2. onheilspellend; 3. ongunstig [uiterlijk]; 4. boosaardig.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Sinister

(<Fr), I. bn. bw., onheilspellend; waarvan men niets goeds verwacht; duister, snood: een sinister heerschap; sinistere plannen. II. zn. o., (verz.) ongeval, onheil, gevaar waartegen verzekerd is.

2024-02-28
Woordenboek Nederlands -Latijn

Dr. J.F.L. Montijn (1949)

Sĭnistĕr

tra, trum, 1. eig., links, aan de linkerzijde zich bevindende, manus, Nep., pars, Caes.; comp., sinisterior, us, b.v. rota, Ov., cornu, Galba in Cic. ep.; subst., sinistra, ae, f. linkerhand, Caes. 2. overdr., links, onhandig, verkeerd, niet deugend, mores, Verg., natura, Curt., interpretat...

2024-02-28
Kramers woordentolk

Jacon Kramers Jz (1948)

sinister

1 aj. onheilspellend, schrikwekkend; onguur, zeer ongunstig (van uiterlijk); 2 o. onheil, ramp, ongeluk.

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

sinister

bn. bw. (Fr. sinistre [Lat. sinister = links]: verkeerd; somber, nadelig, ongelukkig, schrikwekkend, rampspoedig).

2024-02-28
Vreemde woordenboek

S. van Praag (1937)

sinister

onheilspellend; onguur; ramp, onheil.

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

sinister

(si'nistər) bn. en bw. [Lat. links, verkeerd] heilloos, nadelig, ongelukkig, rampspoedig.

2024-02-28
Pinkhof geneeskundig woordenboek

Herman Pinkhof (1923)

Sinister

(vr. -tra, onz. -trum), linker.

2024-02-28
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof (1923)

Sinister

(vr. -tra, onz. -trum), linker.

2024-02-28
De vreemde woorden

Fokko Bos (1914)

sinister

sinister - onheilspellend, rampzalig.

2024-02-28
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Sinister

(lat.) linksch, verkeerd; voorts: ongunstig, ongelukkig; vreeselijk, boos, rampspoedig, nadeelig.