Wat is de betekenis van sinister?

2020
2022-07-07
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

sinister

onheilspellend, duister, boosaardig uitspraak [sie-nis-tuhr] citaat “Morissette getuigde in de rechtszaak tegen hem. ‘Hij verduisterde het geld op een systematische en sinistere manier’, zei ze. ‘Als het nog drie jaar was doorgegaan, dan was ik failliet gegaan.’” Bron: woordfeit Sinister komt uit het Latijn. H...

Lees verder
2019
2022-07-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

sinister

sinister - Bijvoeglijk naamwoord 1. onheilspellend

Lees verder
2018
2022-07-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

sinister

sinister - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: si-nis-ter 1. wat vervelende, onplezierige dingen aankondigt ♢ hij had een sinistere blik in zijn ogen Bijvoeglijk naamwoord: si-nis-ter de/het sinistere ... ...

Lees verder
2007
2022-07-07
logopedie

Logopedisch Lexicon

Sinister

(bn.), links.

1994
2022-07-07
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Sinister

[Lat. = links, aan de linkerkant, een ongelukkig voorteken gevend] onheilspellend, onguur, ongunstig van uiterlijk.

1993
2022-07-07
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Sinister

onheil(spellend)

1955
2022-07-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Sinister

onheilspellend, duister, snood.

1954
2022-07-07
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Sinister

Lat. voor linker, vgl. dexter.

1951
2022-07-07
Engels

Woordenboek Engels (1951)

sinister

1. linker; 2. onheilspellend; 3. ongunstig [uiterlijk]; 4. boosaardig.

Lees verder
1950
2022-07-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Sinister

(<Fr), I. bn. bw., onheilspellend; waarvan men niets goeds verwacht; duister, snood: een sinister heerschap; sinistere plannen. II. zn. o., (verz.) ongeval, onheil, gevaar waartegen verzekerd is.

Lees verder
1949
2022-07-07
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Sĭnistĕr

tra, trum, 1. eig., links, aan de linkerzijde zich bevindende, manus, Nep., pars, Caes.; comp., sinisterior, us, b.v. rota, Ov., cornu, Galba in Cic. ep.; subst., sinistra, ae, f. linkerhand, Caes. 2. overdr., links, onhandig, verkeerd, niet deugend, mores, Verg., natura, Curt., interpretat...

Lees verder
1948
2022-07-07
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

sinister

1 aj. onheilspellend, schrikwekkend; onguur, zeer ongunstig (van uiterlijk); 2 o. onheil, ramp, ongeluk.

1937
2022-07-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

sinister

bn. bw. (Fr. sinistre [Lat. sinister = links]: verkeerd; somber, nadelig, ongelukkig, schrikwekkend, rampspoedig).

1923
2022-07-07
Pinkhof 1923

Pinkhof geneeskundig woordenboek

Sinister

(vr. -tra, onz. -trum), linker.

1923
2022-07-07
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Sinister

(vr. -tra, onz. -trum), linker.

1908
2022-07-07
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Sinister

heilloos, boos.

1898
2022-07-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SINISTER

SINISTER - bn. (oorspr.) linksch, verkeerd; — (thans) ongelukkig; schrikkelijk, vreeselijk, boos, rampspoedig, nadeelig.

Lees verder