sense
I. 1. gevoel, zin (ook = betekenis); 2. verstand; besef; begrip; 3. gevoelen; common sense, gezond verstand; sense of beauty, zin voor het schone, schoonheidsgevoel; he had the (good) sense to..., hij was zo verstandig...; there is no sense in..., het heeft geen zin om...; what is the sense of...?, wat voor zjn heeft het om...?; it does not make se...