Wat is de betekenis van schreeuwen?

2024-06-21
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

schreeuwen

schreeuwen - regelmatig werkwoord uitspraak: schreeu-wen 1. ergens veel nadruk op leggen omdat je er erg trots op bent ♢ hij schreeuwt wel, maar er komt weinig uit zijn handen 2. luid roepen ♢ s...

2024-06-21
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

schreeuwen

Zeer luid de aandacht vestigen. Een biedverloop ‘schreeuwt’ om een troefstart als duidelijk is dat de leider het eindcontract alleen kan maken door heen-en-weer te gaan troeven. Ook een duidelijk signaal kan schreeuwen (om een nakomst in een bepaalde kleur).

2024-06-21
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

schreeuwen

Van pers.: huilen, wenen, schreien.

2024-06-21
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

schreeuwen

(schreeuwde, heeft geschreeuwd), (ook:) 1. (overg.), een grote mond geven. In één winkel was één ruzie geweest, want de meneer had aan een vrouw gezegd dat hij geen naalden meer had, maar toen had die vrouw hem geschreeuwd en gpzegd: Ja, hij heeft, maar hij wil niet verkoppn (Schungel 101). 2. (overg.), een standje gev...

2024-06-21
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Schreeuwen

v., b(j)alte, raze, gûle, geije, skreauwe, âlje, gjalpe, gaffelje, giere; (huilen), gûzje, gûle, moartsje, b(j)alte; -d duur, (út)kritende djûr.

2024-06-21
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Schreeuwen

(schreeuwde, heeft geschreeuwd), 1. luid en doordringend roepen ; bep. om uiting te geven aan nood of pijn of ander onbehagen en dan niet of weinig gearticuleerd: de jongen schreeuwde en stampvoette van kwaadheid; moord en brand schreeuwen, schreeuwen als een mager varken, vreselijk schreeuwen ; om hulp, om brood schreeuwen ; ...

Wil je toegang tot alle 16 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-21
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

schreeuwen

schreeuwde, h. geschreeuwd (1 luid en doordringend roepen, een luid en doordringend geluid voortbrengen; 2 misbaar maken, te keer gaan, op heftige wijze zijn afkeuring te kennen geven [niet in de eerste plaats door zijn stemgeluid]; 3 [voorziening, wraak, herstel] vereisen; 4 krachtig op onaangename wijze tegen elkaar afsteken; tegen elkaar vloeken...