Wat is de betekenis van Schragen?

2020
2021-10-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

schragen

(19e eeuw) (Barg.) (lange) benen. 'Aan zijn schragen trekken': weglopen; vluchten. Ook: 'de schragen nemen'. Voor benen kent de volkstaal talrijke syn.: baanders*; benenwerk*; fietsen*; kuierlatten*; looplatten*; onderdanen*; onderstel*; onderwerk*; ooievaarsstrengen*; pannenlatten*; pikkels*; staanders*; stelten*; strontschragen*; stutten*. •...

Lees verder
1998
2021-10-16
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Schragen

de - nemen, ervandoor gaan; de benen nemen. Bargoense uitdr. Schragen als Bargoens woord voor ‘benen’ vinden we al terug in Woordenschat en bij Koster Henke, die nog volgend voorbeeld geeft: ‘Zoodra er verschut- ting viel (onraad kwam) heeft hij de schragen genomen.’ Vgl. eveneens aan zijn stutten trekken; aan de kuierlatten/kuierstokken trekken; d...

Lees verder
1973
2021-10-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

schragen

(schraagde, heeft geschraagd), 1. steunen, stutten: de takken van vruchtbomen —; 2. (mede) dragen: twee kariatiden — het balkon; ook fig.

Lees verder
1952
2021-10-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schragen

v., skraegje, skoarje, stypje.

1950
2021-10-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schragen

(schraagde, heeft geschraagd), 1. steunen, stutten : de zwaargeladen takken van vruchtbomen schragen; — (mede) dragen : twee caryatiden schragen het balkon; 2. (fig.) (mede) staande of in stand houden: hij wenste stad of staat, naar burgerplicht, te schragen (Staring); die hoop schraagt mij; iemands moed schrage...

Lees verder
1949
2021-10-16
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

schragen

benen. Kromme schragen. Zodra er verschutting viel (onraad kwam) heeft hij de schragen genomen.

Lees verder
1898
2021-10-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SCHRAGEN

SCHRAGEN - (schraagde, heeft geschraagd), steunen, stutten ; (inz. fig.) iemands moed schragen, hem weer moed inspreken, bemoedigen ; — iem. in zijne voornemens schragen, hem helpen, bijstaan; de hoop schraagt mij, houdt mij staande. SCHRAGING, v. steun, stut; ondersteuning, hulp, bijstand.

Lees verder