Wat is de betekenis van schout?

2018
2021-04-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schout

schout - zelfstandig naamwoord 1. hoofd van gerecht en politie in vroeger tijden ♢ Amsterdam werd geregeerd door schout en schepenen 1. dat mag ik voorbij de deur van de schout dragen [dat is geoorloofd, wettig]...

Lees verder
2004
2021-04-22
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Schout

Voorzitter van de rechtbank, die benoemd werd door de heer van een gebied.

1994
2021-04-22
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Schout

[MNed. o.a. scoutete of schouthete = persoon die het bevel geeft tot het verlenen van verplichte diensten; van schuld en heten] 1 (gesch.) bep. gerechtsdienaar, hoofd der politie; 2 dijkgraaf.

Lees verder
1994
2021-04-22
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Schout

Schout [Middelned. scholt of schult, verplichting], vertegenwoordiger van de heer in juridische zaken; oorspronkelijk zowel in de hoge als in de lage rechtskringen. Later was de schout de vertegenwoordiger van de landsheer bij lage gerechten en stond hij onder de → baljuw, de → drost of de → amman. Het ambachts- of schoutengerecht bestond uit schou...

Lees verder
1993
2021-04-22
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Schout

gerechtsdienaar (gesch.)

1985
2021-04-22
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

SCHOUT

vertegenwoordiger van de heer van een heerlijkheid; ook benaming voor voorzitter van rechtscollege in hoge en lage jurisdictie; het bestuur in de steden en dorpen was over het algemeen overgelaten aan schout en schepenen.

1982
2021-04-22
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

SCHOUT

→ Ambacht. → Executie. → Rechtspraak.

1981
2021-04-22
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Schout

(scholt, schuit), (in Lat. teksten: scultetus, in oorkonden: de daghelixse rechter) letterlijk: vertegenwoordiger van de heer. aanduiding van de rechter oorspr. zowel van die in hoge als in lage rechtskringen. Zo heette aanvankelijk in het oosten van Nederland de landsheerlijke rechter schout, daarna ambtman en tenslotte drost. Later is schout i.h....

Lees verder
1952
2021-04-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schout

s., skout.

1950
2021-04-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schout

m. (-en), 1. (hist.) bestuursambtenaar, later hoofd van het gerecht en de politie in een stad of een district, inz. als openbaar aanklager: schout en schepenen; — (spr.) dat mag ik voorbij de deur van de schout dragen, wat ik doe is zeer geoorloofd, wettig; 2. commissaris van politie (tot voor betr. kort in Indië het gewone...

Lees verder
1949
2021-04-22
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Schout

in de middeleeuwen in Nederland de vertegenwoordiger van de landsheer, tijdens de Republiek die van de Staten in de plattelandsgemeenten en in de steden. S. was belast met de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en met de handhaving van de openbare orde. Hij fungeerde als voorzitter van het gerecht en zorgde voor de tenuitvoerlegging der...

Lees verder
1937
2021-04-22
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Schout

In den graventijd was het land verdeeld in baljuwschappen, waarin de baljuw, als vertegenwoordiger van den graaf, de hooge (lijfstraffelijke) rechtspraak uitoefende. Elk baljuwschap was onderverdeeld in ambachten, waarin de schout het bestuur en de lage rechtspraak in burgerlijke zaken tot taak had. Indien echter de graaf aan een dorp stedelijke re...

Lees verder
1933
2021-04-22
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schout

Vertegenwoordiger van den landsheer en als zoodanig voorzitter van het gerecht (schepengerecht, → Schepen). Soms wisten steden het recht den schout aan te stellen te verkrijgen. De positie van den s. is analoog met die van den → baljuw. Het ambt werd dikwijls in leen gehouden (erfelijk). De s. zorgt o.a. voor de tenuitvoerlegging van von...

Lees verder
1919
2021-04-22
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Schout

vroeger ook schouthete, schoulhate, schoutheit, schoutet, schoute, scholte, schulte, scholtis, schoutent ; gevormd uit schuld en heeten (noemen, bevelen); vroeger de benaming van een ambtenaar, die den vorst vertegenwoordigde, en bij de rechtspraak voorzat, en die dus het vonnis (de boete) uitsprak (noemde). Vermoed wordt wel, dat het een ruimere b...

Lees verder
1916
2021-04-22
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Schout

Schout - vroeger een ambtenaar, vertegenwoordiger van den landsheer in de schoutengerechten ; te zamen met schepenen oefende hij civiele en voluntaire jurisdictie; hij had behalve rechtsprekende ook bestuursfuncties, en is te vergelijken met den hedendaagschen burgemeester, commissaris van politie, president van een waterschap, officier van justiti...

Lees verder
1898
2021-04-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SCHOUT

SCHOUT - m. (-en), gerechtelijk beambte, baljuw ; (oudt. inz.) commissaris van politie (tot voor een paar jaren in Indië het gewone woord ; thans afgeschaft); —(spr.) dat mag ik de deur van den schout voorbijdragen, wat ik doe is zeer geoorloofd, wettig; — (gew.) marktmeester belast met den verkoop van iets : aardappelschout; &md...

Lees verder