Wat is de betekenis van SCHOTELEN?

2024-04-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Schotelen

(schotelde, heeft geschoteld), 1. (vero.) op een schotel doen, opdissen; 2. (Zuidn.) beredderen, bedisselen ; — geschoteld en gelepeld, kant en klaar ; — met iets geschoteld zitten, er mee opgescheept.

2024-04-18
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

schotelen

schotelde, h. geschoteld (Z.-N. bedisselen, konkelen): iets op voorhand schotelen.

2024-04-18
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

schotelen

('scho.-tələn) (schotelde, heeft geschoteld) Veroud. op een schotel doen, opdissen.

2024-04-18
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

SCHOTELEN

SCHOTELEN - (schotelde, heeft geschoteld), op een schotel doen opdisschen.