Wat is de betekenis van schotel?

2024-02-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

schotel

Het begrip schotel heeft 3 verschillende betekenissen: 1) ondiepe schaal. ondiepe schaal waarop spijzen worden opgediend of waarop zaken van allerlei aard worden bewaard of neergezet. 2) gerecht. gerecht met of zonder de schotel waarop of waarin het wordt opgediend. 3) schotelantenne. schotelvormige antenne voor het ontvangen...

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

schotel

schotel - zelfstandig naamwoord uitspraak: scho-tel 1. platte schaal ♢ we kochten zes kop en schotels 1. vliegende schotel [ruimteschip dat op een schotel lijkt] 2...

2024-02-25
Molenwoordenboek

B.D. Poppen (2000)

Schotel

Kruisvormig ijzer waarmee in een binnenkruier de doodketting op een kram wordt geborgd.

2024-02-25
Dromen encyclopedie

Fink (1998)

Schotel

Zie ‘Schaal’.

Wil je toegang tot alle 17 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Pieter Scheen (1969)

Schotel

Schotel - zie A. M. A. Gips.

2024-02-25
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

schotel

(de, -s), schaal. - Etym.: In AN alleen nog in samenst. en in combinatie met ‘kop’: ‘kop en schotel’. In Noord-Brabant gebr., ook in de bet. van ‘diep bord’.

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Schotel

s., skûtel, skûdel, panne, petiel, petiel(l)e, petielje; — met steel, om kalveren te drenken, hânskûtel; -tje, pântsje (it).

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Schotel

m. (-s), 1. ovenpaal, schietplank; 2. schoot of schieter van een slot; 3. (gew.) grendel; 4. ankersleutel.

2024-02-25
Boevenjargon

Professor Henry Roskam (1949)

schotel

zie: schoot.

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

schotel

I. m. schotels, schoteltje (Lat. scutella: 1 ronde, langwerpige enz., niet zeer diepe schaal inz. van aardewerk om er spijzen op te leggen, mee op te dienen of waarop zaken van allerlei aard worden bewaard of neergezet; 2 een zekere hoeveelheid; 3 gerecht, spijze [met of zonder de schotel in bet. 1]): 1 een schotel vol aardappelen; een aarden, hout...

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

schotel

('scho:tədl) m.env (-s ;-tje) [Lat. scutella] I.,Eig. schaal met schuin opgaande rand : een om eten op te dienen; een om visitekaartjes op te leggen; een aarden, houten, porseleinen, tinnen, zilveren -; een platte, diepe -; een met kersen; -s trassen; zet een -tje onder de kop koffie ; aan ’t -tje likken, ook Fig. ervan profiteren ; het...

2024-02-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Schotel

m. (-s) 1. ovenpaal, schietplank; 2. schoot of schieter van een slot; 3. ankersleutel.

2024-02-25
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Schotel

van ’t Lat. scutella (reeds in de 6e eeuw overgenomen tegelijk met de kookkunst der Romeinen).

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

SCHOTEL

SCHOTEL - m. (-s, -en), ronde of langwerpige, min of meer diepe schaal, bestemd om er spijzen op te doen: platte, diepe schotels; — (spr.) als het brij regent, zijn mijne schotels omgekeerd, ik ben een ongeluksvogel, nooit heb ik een buitenkansje ; — spijs in den schotel aanwezig: wij hadden drie schotels, drie gerechten; laat den schot...

2024-02-25
Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Schotel

Onder dezen naam vermelden wij: Johannes Christiaan Schotel, een uitstekend Nederlandsch zeeschilder, geboren te Dordrecht den 11den November 1787. Schoon bestemd om op het gebied der fabrieknijverheid werkzaam te wezen, legde hij zich met ijver toe op de teeken- en schilderkunst, oefende zich onder de leiding van Meulemans en Schouman, en oogstte...

2024-02-25
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Schotel

Schotel, m. (-s, -en), ronde van min of meer hoogen rand voorziene schaal bestemd om er spijzen op te doen; den - rond houden, laten rondgaan. *-, spijs in den schotel aanwezig; wij hadden drie -s (geregten). *-DOEK, m. (-en), vaatdoek. *-EN, bw. gel. (ik schotelde, heb geschoteld), op eenen schotel doen, opdisschen. *-KOMFOOR, o. (...oren), komf...

2024-02-25
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Schotel

Scutella, scutula, catinus, paropsis, discus, patina: vas escarium, lanx, gabata. germ. schussel: gal. escuelle: ital. soedilla: hisp. escudilla: ang. scotle, schuttel.