Wat is de betekenis van Schoot?

2018
2021-08-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schoot

schoot - zelfstandig naamwoord 1. plek waar je bovenbenen zijn als je zit ♢ zij legde haar handen in haar schoot 1. iets in de schoot geworpen krijgen [het krijgen, zonder dat je er iets voor hoeft te doen]...

Lees verder
2017
2021-08-02
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Schoot

Schoot - stuk touw waarmee men de zeilen bedient. Laat die schoot eens wat los!

2017
2021-08-02
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Schoot

Holle loop van de hekken van een molenwiek of de mate waarin het hekwerk terugwijkt t.o.v. het draaivlak en de daaraan gekoppelde voorwaartse stand van de windborden. Men spreekt van een diepe of een vlakke zeeg.

1985
2021-08-02
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

SCHOOT

gehucht in de Noordbrabantse gemeente Veldhoven.

1977
2021-08-02
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

schoot

schoot - vagina. In het tweede citaat in woordspeling met schoot ‘zeiltouw’ en lui ‘stagzeil’. Al waer een kriele (= wulpse, H.) vrou haer geylen schoot ontsluyt, CATS 1, 184b [1622].Gaan wy eens zeilen zy (de meisjes) komen te hullep, Wy halen de Schoot aan zy zetten de Lui op, Koddige Opschriften 1, 39 [1698-1700].

Lees verder
1973
2021-08-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

schoot

m. (schoten), 1. (aan een slot) dat deel dat bij sluiting naar buiten uitspringt, tong (eind van de schieter); 2. loot, spruit, uitspruitsel.

Lees verder
1958
2021-08-02
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

SCHOOT

(Fr.: skoat). Komt in plaats- en landnamen voor, bijv. Schoterland, Oude en Nieuweschoot, Schoteruiterdijken, Schoterzijl. Wrsch. vooruitschietend stuk land.Zie: Fr. Plaknammen iv, 105-106; Moerman, 203-204.

Lees verder
1952
2021-08-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schoot

s.; (van zeil of kledingstuk), skoat; (van persoon), skerte, skurte.

1949
2021-08-02
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

schoot

onderdeel van een slot. De deur zit op de nachtschoot.

1939
2021-08-02
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Schoot

Waarin de beste baantjes vallen.

1933
2021-08-02
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schoot

(scheepv.), touw of takel, waarmede de van de windzijde verst verwijderde onderhoek van een zeil wordt vastgehouden. De naar de windrichting gekeerde hoek van het zeil wordt bevestigd door den „hals”.

1926
2021-08-02
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Schoot

Dit woord heeft in onze taal verschillende beteekenissen: 1. synoniem met scheut, loot, spruit (verwant met opschieten, opgroeien); 2. het touw, vastgemaakt aan den benedenhoek van het zeil, en dat dient tot viering of tot re ving van het zeil (scheepstermen: de schooten aanhalen = het zeil minder ruimte laten; de schooten vieren = het zeil meer sp...

Lees verder
1916
2021-08-02
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Schoot

Schoot - de hoek van een zeil, voorzien van een leuver, die dient om het zeil nadat het geheschen is, uit te halen. Bij de vierkante zeilen wordt in den hoek tusschen staand lijk en voetlijk de schoothoorn gevormd. De lijken zijn daar verzwaard en met leer bekleed, terwijl in den hoek een kous is ingesplitst.

1898
2021-08-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schoot

Het begrip schoot heeft 5 verschillende betekenissen: 1. schoot - SCHOOT - m. (-en), (zeew.) touw, aan den benedenhoek van ieder zeil vastgemaakt en dienende om het te spannen; de schooien vieren, ruimen, loslaten; de schooten aanhalen; met losse (gevierde) schooien; — de schoot van eene gierpont, hot touw waarmede de pont min of meer schuin...

Lees verder