Wat is de betekenis van schoonmaken?

2022
2023-02-06
Orthodontisch woordenboek

Dr. H.J. Remmelink

Schoonmaken

Reiniging ofwel verwijdering van vuil.

2022
2023-02-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

schoonmaken

(1951) (ton.) de rol overnemen van een andere acteur (actrice) die tijdelijk verhinderd is; invallen. • Vaak ging zij „uit schoonmaken" zoals dat in een veelgebruikte toneelterm heet voor acteurs en actrices, die worden aangezocht in luttele uren de rol over te nemen van een collega, die door ziekte of anderszins verhinderd is verder te...

Lees verder
2018
2023-02-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schoonmaken

schoonmaken - regelmatig werkwoord uitspraak: schoon-ma-ken 1. het vuil eraf halen, wassen of poetsen ♢ Wijna heeft mijn huis schoongemaakt 2. weghalen wat niet lekker is ♢ hij heeft de groente...

Lees verder
2009
2023-02-06
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

schoonmaken

(ov ww; maakte schoon; h. schoongemaakt) AL - reinigen, het vuil wegnemen, bv. van een golfbal. • De bal mag te allen tijde worden schoon gemaakt wanneer hij is opgenomen, tenzij hij is opgenomen: 1. om vast te stellen of hij onbruikbaar is; 2. om de bal te identificeren en dan alleen zo ver als nodig voor identificatie; 3. omdat hij het spel van e...

Lees verder
1990
2023-02-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

schoonmaken

schoonmaken - Het verwijderen van vuil, deklagen, aanzetsels, vlekken of ander materiaal in of op een oppervlak.

1973
2023-02-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Schoonmaken

(maakte schoon, heeft schoongemaakt), 1. reinigen, het vuil wegnemen van of uit: een geweer, een kooi, penselen schoonmaken; (abs.) van vertrekken en gebouwen: ze zijn nog aan het –; 2. ontdoen van ongerechtigheden, van ingewanden, schubben, veren enz.: groente, sla schoonmaken; graan schoonmaken, het van kaf en vuiligheid zuiveren.

Lees verder
1952
2023-02-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schoonmaken

v., himmelje, skjinmeitsje, skjinje, hoffenje, (op)rakke; hardhandig —, reuvelje; van binnen —, omhimmelje; (van vis), gromje, grimje.

1950
2023-02-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Schoonmaken

(maakte schoon, heeft schoongemaakt), 1. reinigen, het vuil wegnemen van of uit: een geweer, een kooi, penselen schoonmaken; — in abs. gebr. van vertrekken en gebouwen: ze zijn nog aan het schoonmaken; — (spr.) ieder maakt schoon voor zijn eigen deur, ieder zoekt zich het eerst te verontschuldigen, in een mooi dagli...

Lees verder
1937
2023-02-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

schoonmaken

maakte schoon, h. schoongemaakt (reinigen, zuiveren): een kamer schoonmaken, een zolder schoonmaken, een huis schoonmaken; het graan schoonmaken.

1930
2023-02-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

schoonmaken

('scho:n) (maakte schoon, heeft schoongemaakt) schoon, zuiver maken, reinigen, zuiveren : een zolder, het graan -; aan ’t zijn. → baan, pad.

1898
2023-02-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schoonmaken

Het begrip schoonmaken heeft 2 verschillende betekenissen: 1. schoonmaken - SCHOONMAKEN - (maakte schoon, heeft schoongemaakt), reinigen, het vuil wegnemen ; zijne handen, zijne kleeren schoonmaken; een put, een kelder, een huis schoonmaken; — (spr.) ieder maakt schoon voor zijne eigen deur, ieder zoekt zich het eerst te verontschuldigen, in...

Lees verder