Schommelen
I. (schommelde, heeft geschommeld), onoverg., 1. zich langs een boog of ten opzichte van een aspunt heen en weer bewegen: een schommelende wieg; het ranke bootje schommelt op de golven. 2. (van grootheden en getallen) zich bewegen om een gemiddelde: de prijzen schommelen, worden hoger en lager; — de barometerstand sch...