Wat is de betekenis van schobbejak?

2020
2021-09-26
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

schobbejak

(17e eeuw) (scheldw.) gemene vent; schoft. Mogelijk een samenstelling met het zestiende eeuwse ‘scobbe’ (schurft). Ook een ontlening aan het Nederduits (schubjack) valt niet uit te sluiten. Van oorsprong Amsterdams? Jan Berns & Jolanda van den Braak (Amsterdams. Taal in stad en land. 2002) vermelden ‘skobbiejakke’: schof...

Lees verder
2018
2021-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schobbejak

schobbejak - zelfstandig naamwoord uitspraak: schob-be-jak 1. iemand die slechte dingen doet ♢ haar vriend is een echte schobbejak, bepaald geen brave Hendrik! Zelfstandig naamwoord: schob-be-jak de schobbejak...

Lees verder
2007
2021-09-26
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

schobbejak

gemene vent; schoft. Mogelijk een samenstelling met het zestiende-eeuwse scobbe (schurft). Ook een ontlening aan het Nederduits (schubjack) valt niet uit te sluiten. Van oorsprong Amsterdams? Berns & Van den Braak vermelden skobbiejakke: schoften.Hij heef de eer gehad om voor de keizer der Russe te mannevrere. Deuze jonge jufvrouw, is ook n...

Lees verder
1980
2021-09-26
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

schobbejak

zie onbeschoft

1973
2021-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

schobbejak

m. (-ken), scheldwoord voor een mannelijk persoon, schoft, schurk, schavuit, schooier.

1952
2021-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schobbejak

s., skobbejak, skobbert, skeupert.

1950
2021-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schobbejak

m. (-ken), 1. scheldwoord voor een mannelijk persoon, schoft, schurk, schavuit, schooier; 2. (Zuidn.) korte werkkiel van grof linnen; 3. (W.-I.) zekere vis (Pomatomus saltrix).

Lees verder
1925
2021-09-26
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Schobbejak

D.i. een schurk, een deugniet, in welken zin dit woord ook in den vorm schobjak sedert de 17de eeuw bij ons bekend is; zie o.a. de klucht van Drooghe Goosen (1651), bl. 10: Ick seghje noch iens schobbejack packt jou van hier; Snorp. II, 21: Smoddermuyl die Kacketeyn was van de Schobbejacken; J.S. Colm, Malle Jan Tots boertig...

Lees verder
1898
2021-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schobbejak

Schobbejak - ra. (’ken), (oudt.) jak van ijzeren schobben of schubben, dat de geringere krijgslieden in den strijd droegen; zulk een gering krijgsman; iem. die zich laag aanstelt; (thans) scheldnaam voor deugniet, schooier.

1898
2021-09-26
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Schobbejak

zie Bedelaar.