Wat is de betekenis van Schil, schel?

1898
2021-01-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schil, schel

Schil, schel - v. (-len), bast, omkleedsel: de schil der hoornen, van het vlas; — bolster; bekleedsel eener vrucht of plant: de schillen van appelen, aardappelen; van noten, citroenen; — dop (van een ei); vlies. SCHILLETJE, o. (-s).

Lees verder