Schier
I. bn., (gew.) 1. wit; 2. grijs, grauw: schiere kraai, bonte kraai; — grote schiere, wilde gans; 3. zindelijk, helder, keurig net; — schiere rogge, vrij van onkruid ; — in huis alles op schier hebben, op orde : 4. onvermengd, zuiver: schiere jenever; schier vet, vet zonder vlees; 5. schraal: een hoge, schiere grond ; 6. schiere...