Wat is de betekenis van schepsel?

2018
2020-12-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schepsel

schepsel - zelfstandig naamwoord uitspraak: schep-sel 1. levend wezen, mens of dier ♢ wij zijn allemaal schepselen van deze aarde 2. iemand die je vervelend vindt ♢ wat een ondankbaar schepsel i...

Lees verder
2007
2020-12-02
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

schepsel

(vaak voorafgegaan door brutaal, ellendig, misselijk of stom) verachtelijk persoon. Meestal van toepassing op een vrouw. Lina wist niet hoe deze zonderlinge, in de hoogste mate onrechtvaardige uitval te beantwoorden. Verbouwereerd keek zij Ant aan, en een schel, verbaasd: ‘Schepsel!’ was al, wat zij uitbracht. (Marcellus Emants, Juffrou...

Lees verder
1973
2020-12-02
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

schepsel

o. (-en, -s), 1. geschapen wezen; 2. mens, levend wezen: er was geen te zien; 3. in toepassing op vrouwelijke personen; in gunstige zin: wat een lief —; in ongunstige zin: zo’n ondankbaar —; ook zonder nadere bepaling als verachtelijke term op zichzelf: wat een —!.

Lees verder
1898
2020-12-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schepsel

Schepsel - o. (-s, -en), geschapen wezen, inz. mensch of dier: de grootheid Gods is in Zijne schepselen zichtbaar; — (fig.) zeker scheldwoord (inz. tegen vrouwen): foei, welk een schepsel!; wie heeft ooit zoo’n schepsel gezien ?; ik wil met dat schepsel niets te maken hebben; — (Z. A.) kleurling (niet minachtend). SCHEPSELTJE, o....

Lees verder