2020-04-06

Schepping

Schepping, dat wat God heeft geschapen: de wereld. Schepping in de betekenis ‘het maken, het vormen van iets; creatie’ is niet specifiek bijbels. Maar wanneer het woord gebruikt wordt ter aanduiding van de wereld, is bijbelse invloed niet te ontkennen: de schepping als dat wat God geschapen heeft, zoals wordt verteld in de eerste twee hoofdstukken van het bijbelboek Genesis. We komen het woord in deze betekenis in de bijbel tegen in het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld in Romeinen 8:22, ‘Wij weten...

2020-04-06

Schepping

Schepping (De leer der) uit niets door den wil van het Opperwezen is een leerbegrip der Israëlieten en Christenen, berustend op de Oud-Hebreeuwsche sage, onder den naam van scheppingsverhaal bekend. Daarmede kwamen reeds in de tweede eeuw onzer jaartelling de voorstanders van het Christendom in verzet tegen de scheppingsverhalen der Heidenen, inzonderheid tegen de Grieksche meening van de eeuwigheid der stof. Immers bij de aanneming van deze laatste zou God niet de wereldschepper, maar de wereld...

2020-04-06

Schepping

Schepping - v. (-en), het scheppen : sedert de schepping der wereld; de schepping van een kunstwerk; — al het geschapene : de gansche schepping rust; de mensch is heer der schepping.

2020-04-06

schepping

schepping - zelfstandig naamwoord uitspraak: schep-ping 1. het maken ♢ bij de schepping van de wereld is leven ontstaan Zelfstandig naamwoord: schep-ping de schepping

2020-04-06

Schepping

is de daad van God almachtig waardoor Hij hemel en aarde, met al wat er in is, tot aanzijn geroepen heeft, en ook wordt het Heelal door God geschapen zelf de schepping genoemd. Het woord drukt dus zoowel de daad Gods als het werk' Gods uit. In alle tijden en in alle landen heeft de mensch gevraagd naar den oorsprong der dingen, hij wilde weten hoe alles ontstaan was. De heidensche volken hebben in hun Mythologie een Kosmogenie ten beste gegeven waarin men sagen aantreft met een historische...

2020-04-06

Schepping

1° De scheppingswerking, die a) actief genoemd kan worden, nl. als de eeuwige daad in God, en b) passief als de afhankelijkheidsbetrekking van het schepsel tot God. 2° Het product van de scheppingswerking; dan omvat de s. het geheel van alle geschapen dingen (vgl. ➝ Cosmogonie). Voor het doel ders., zie ➝ God (I) 3° Boek der Schepping, ➝ Genesis.

2020-04-06

schepping

('schepping) v. (-en) 1. Eig. het scheppen: de oorspronkelijke wordt voortgezet door de Voorzienigheid, die voortdurende wordt genoemd. 2. Metn. het geschapene: God is de heer van de -; de van een kunstenaar; men staat verbaasd over al die nieuwe -en in de grote steden.