Wat is de betekenis van Scheeprijk?

2024-06-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Scheeprijk

bn., waar, waarop of waarin veel schepen zijn: het scheeprijk IJ houdt feest (Vondel).

2024-06-15
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

scheeprijk

bn. (vol schepen): ons scheeprijk IJ.

2024-06-15
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

scheeprijk

(‘sche:p) bn. rijk aan schepen.

2024-06-15
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Scheeprijk

Scheeprijk - bn. rijk aan schepen : eene scheeprijke haven.

2024-06-15
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Scheeprijk

Scheeprijk, bn. rijk aan schepen; eene -e haven.

2024-06-15
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Scheeprijk

z.n.v. - Rijk aan Schepen. Een scheeprijke Haven (een haven, waar zich veel Schepen bevinden). Waarby den welstant groeyt van de Scheeprijcke steden. zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart.

Gerelateerde zoekopdrachten