Schare
v. (-n), menigte, zie Schaar (I).
Benieuwd hoe Ensie en Prisma digitale woordenboeken jouw lessen kunnen versterken?
Muiswerk Educatief (2017)
schare - zelfstandig naamwoord uitspraak: scha-re 1. groot aantal mensen bij elkaar ♢ er kwam een grote schare mensen bijeen Zelfstandig naamwoord: scha-re de schare de scharen ...
Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1982)
(Scare). 1. → Begin aan de noordzijde van de → Vierhonderd-beoosten-Terhofstedepolder (W.Z. VI.). Ten westen ervan lag een water, de Zepe of Zijpe. 2. → Scarpolre. LITERATUUR Gottschalk, Historische geografie I. Roos, Woordenboek (onder Kadzand).
F.W. Grosheide (1926)
Van de schare, of scharen wordt in de Evangelieverhalen en de Handelingen der Apostelen dikwerf gesproken. Zij was onderscheiden van de discipelen (Matth. 23 : 1; Marc. 8 : 34; Luc. 9 : 16); en ook van de leiders en oversten des volks, die haar verachtten (Joh. 7 : 49), haar vreesden (Matth. 14 : 5; 21 : 26 en 46; 26 : 5; Luc. 22 : 6), haar ontzag...
J. Verdam (1911)
I. schere, znw. vr. 1) Legerafdeeling, gewapende schaar, troep, rot, bende; tére (téenre) scharen, tot eene legerbende vereenigd; bijeen, te gelijk. 2) schaar, hoop, drom; gezelschap, gevolg, optocht, vergadering; téenre s-n., van dieren, troep, zwerm; van dingen, hoop. II. znw. vr. en m. Aandeel aan de mark, de bevoegdheid om...
Gerelateerde zoekopdrachten
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: