Wat is de betekenis van Schade?

2018
2022-09-26
Anneke van Schie

Voormalig eigenaar/directeur Uitgeverij Kavanah

Schade

Een nadeel voor de patiënt dat door zijn ernst leidt tot verlenging of verzwaring van de behandeling, tijdelijk of blijvend lichamelijk, psychisch en/of sociaal functieverlies, of tot overlijden.

2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schade

schade - zelfstandig naamwoord uitspraak: scha-de 1. nadeel van vervelende gebeurtenis ♢ bij dat ongeluk heb ik veel schade opgelopen 1. hem schade berokkenen [schade toebrengen] ...

Lees verder
2016
2022-09-26
ING

Begrippenlijst ING

Schade

Een verzoek om uitkering op een polis naar aanleiding van een verzekerde gebeurtenis, zoals overlijden of invaliditeit van de verzekerde, de afloop van een levensverzekering, ziektekosten, vernietiging of beschadiging van eigendommen en daaraan gerelateerde ongevallen of overlijden, gebreken aan, pandrechten of aanspraken op de eigendomstitel van o...

Lees verder
2015
2022-09-26
Redactie Ensie

Verzekeringsbegrippen omschreven

Schade

Schade is het nadeel of verlies als gevolg van een onverwachtse gebeurtenis waartegen een verzekering dekking biedt. Schade bestaat zowel uit vermogensschade (materiële schade) als immateriële schade. Er zijn verschillende soorten schade. Bij vermogensschade kan de waarde van het voorwerp en dus de kosten van de schade in geld gemeten worden. Van p...

Lees verder
2015
2022-09-26
Bouw- en Vastgoedlexicon

Het Bouw- en Vastgoedlexicon door Hendrik Leurs.

Schade

Nadeel of verlies dat voor iemand of voor een bepaald belang voortvloeit uit een gebeurtenis, handeling of handelswijze, gaande van te meten geldelijke schade tot en met morele en psychische schade.

1997
2022-09-26
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

schade

In het Tafereel van Sinne-mal [1623] gebruikt de auteur, A. van de Venne, de bastaardvloek bygants schade. Ik interpreteer dat als ‘bij het nadeel dat God iemand kan laten overkomen’.

1992
2022-09-26
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

schade

Valt uiteen in vermogensschade en ander nadeel.

1991
2022-09-26
Management begrippenlijst

Management begrippenlijst

Schade

Een nadeel dat men in zijn vermogensbelangen of in andere, immateriële, belangen ondervindt. Er bestaat een recht op schadevergoeding, indien men de ander de schade kan aantonen en kan aanspreken tot vergoeding van onrechtmatig toegebrachte schade. Schade kan ook voortspruiten uit wanprestatie ter zake van de uitvoering van een overeenkomst. Dit ge...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schade

s., skea, neidiel (it), -deel (it); — berokkenen, kwea, ôfbrek dwaen; iem. — berokkenen, immen eat út ’e hannen bringe, arbeidzje; — aanrichten, raer wurk meitsje; — oplopen, hearing meitsje, krije, in reis krije; meten schande, mei skea en...

Lees verder
1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Schade

I. v. (schaden), 1. nadeel dat voor iemand of voor enig belang uit een gebeurtenis, handeling of handelwijze voortvloeit: die maatregel betekent voor vele kooplieden een grote schade; iets tot zijn schade ondervinden; dat zal u geen schade doen, dat zal u niet tot nadeel strekken ; — (kooph.) baten en schaden, winst en verlies; —zijn sc...

Lees verder
1949
2022-09-26
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Schade

nadeel, door een persoon geleden, of waardevermindering van een goed. S. is juridisch van belang, indien zij voortvloeit uit onrechtmatige daad of uit wanprestatie ter zake van de uitvoering ener overeenkomst; zij stelt dan degene die schuld heeft aan die onrechtmatige daad of wanprestatie, in de verplichting om de schade te vergoeden. Naast deze s...

Lees verder
1933
2022-09-26
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Schade

nadeel, geleden door onrechtmatige daad, wanprestatie of althans niet voldoende zorg b/d nakoming v. verbintenissen en verzekering. Schadevergoeding kan i/h algemeen worden geëischt v, geleden verlies en winstderving. Bij verbintenissen, betrekking hebbende op betalingen in geld, bestaat de s.-vergoeding alleen in b/d wet bepaalden interest.

Lees verder
1933
2022-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schade

noemt men elk vermogensrechteliik nadeel. Vgl. ook ➝ Schadevergoeding; Verzekering.

1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

schade

('scha:də) v. 1. Algm. nadeel uit een gebeurtenis of handeling voortvloeiend: een aanzienlijke, geringe, (onherstelbare -; aanrichten, berokkenen, doen; lijden, ondervinden; de vergoeden; zijn op iemand verhalen; door (en schande) leren, wijs worden, met (en schande) ergens afkomen; zijn achterhalen, inhalen, vergoeding zoeken voor geleden nad...

Lees verder
1916
2022-09-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Schade

Schade - zie SCHADEVERGOEDING en RISICO.

1911
2022-09-26
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Schade

van den Germ. wt. skath (Idg. skath) = deren.

1908
2022-09-26
Vivat

Schrijver op Ensie

Schade

alle geleden verlies en ieder ondervonden nadeel. (Zie ook Schadevergoeding).

1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schade

Het begrip schade heeft 2 verschillende betekenissen: 1. schade - schade - v. nadeel, verlies, ongelijk, hinder, letsel: de schade was gering, aanzienlijk, onherstelbaar; — dat zal u geene schade doen, dat zal u niet ten nadeel strekken; — de hagel heeft veel schade gedaan, veel bedorven, vernield, beschadigd; — de nachtvorsten...

Lees verder
1898
2022-09-26
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Schade

zie Afbreuk.

1864
2022-09-26
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Schade

Schade, v. (-n), nadeel; verlies; ongelijk, hinder; letsel; - lijden; - doen; - aanbrengen; met - verkoopen; zonder -; buiten uwe -; (spr.) door - wordt men wijs, het ondergaan van verlies leert voorzigtig zijn; met - en schande van iets afkomen; (kooph.) baten en -n, voor- en nadeelen, winst en verlies; (regt.) - en intresten. *-LIJK, bn. en bijw....

Lees verder