Wat is de betekenis van sarren?

2018
2021-06-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

sarren

sarren - regelmatig werkwoord uitspraak: sar-ren 1. gemeen plagen ♢ deze jongen doet niet anders dan sarren Regelmatig werkwoord: sar-ren ik sar jij/u sart ...

Lees verder
1973
2021-06-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

sarren

(sarde, heeft gesard), tergend, prikkelend plagen, plagen om kwaad te maken: een hond —.

1952
2021-06-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Sarren

v., sarje, narje, hyt-, hjitfolgje, nitelje, nytgje, nytsje, hune, húnje, faksearje, wrokje, pjerre, treiterje, tryktrokje, tryktrotsje, tritrotsje, fergje.

1950
2021-06-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Sarren

(sarde, heeft gesard), tergend, prikkelend plagen, plagen om kwaad te maken: iem., een hond sarren; zij heeft mij de hele dag al gesard.

1898
2021-06-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Sarren

Sarren - (sarde, hooft gesard), tergen, prikkelen, kwaad maken; iem., een hond sarren; zij heeft mij den heelen dag al gesard. SARRING, v. het sarren, terging, gesar.