Wat is de betekenis van Salut?

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

salut

tw., →-saluut.

1952
2022-11-27
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Salut

groet, saluut; welzijn; heil, redding; zaligheid; R.K. lof; un léger salut, een knikje; un profond salut, een diepe buiging; le salut public, het algemeen welzijn; salut!, saluut!, gegroet!, heil u!; au lecteur salut!, de lezer heil!, L.S.; chercher son salut dans la fuite, zijn heil in de vlucht zoeken; faire le salut (militaire), salueren,...

Lees verder
1951
2022-11-27
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Salút

saluut.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Salut

hetz. als saluut, in deze vorm nog in de aanhef van wetten, koninklijke besluiten enz.: allen die deze zullen zien of horen, salut.

1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

salut

= saluut.

1914
2022-11-27
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

salut

salut - v., heil; salut of saluut:gegroet, alle heil! ook: vaarwel! verder: eeregroet bij de militairen.

1910
2022-11-27
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Salut

Salut - oude Fransche gouden munt, die geslagen werd onder de regeering van Karel VI in 1421. Kwam echter weinig in omloop. Zoo genoemd naar de afbeelding er op: de groete (salut) van den Engel aan Maria.

1908
2022-11-27
Vivat

Schrijver op Ensie

Salut

of Groete, fransche gouden munt, aan het einde der regeering van koning Karel VI in 1421 geslagen, maar weinig in omloop gebracht. Zoo genaamd, omdat de groete des engels aan Maria er op was afgebeeld.

1908
2022-11-27
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Salut

groet; vaarwel ! heil!

1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Salut

Salut - o. welzijn; heil, gegroet; aan allen die dezen zullen hooren, salut! (aanhef van koninklijke besluiten, wetten enz.).

1864
2022-11-27
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

salut

salut - o. welzijn; salut! heil! gegroet; aan allen die dezen zullen hooren salut! (aanhef van koninklijke besluiten, wetten enz.)