Wat is de betekenis van Salaris?

2020
2021-12-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

salaris

uitbetaald geldbedrag voor geleverde arbeid. geldbedrag dat een werknemer periodiek ontvangt van een werkgever als beloning voor de in een bepaalde periode verichte arbeid; periodiek uitbetaald geldbedrag voor geleverde arbeid; loon. Bij zzp'ers ook: geldbedrag dat de zzp'er zichzelf periodiek toekent voor de geleverde arbeid in...

Lees verder
2018
2021-12-01
Centraal Bureau voor de Statistiek

Begrippenlijsten van het CBS

Salaris

Salaris is loon. De begrippen loon en salaris worden tegenwoordig door elkaar gebruikt. Aanvankelijk was salaris het loon of de bezoldiging van een ambtenaar. Zie: Loon

Lees verder
2018
2021-12-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

salaris

salaris - zelfstandig naamwoord uitspraak: sa-la-ris 1. geld dat je krijgt voor werk ♢ het salaris wordt overgemaakt op je rekening Zelfstandig naamwoord: sa-la-ris het salaris de salari...

Lees verder
1994
2021-12-01
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Salaris

[OFr. salaire, Lat. salarium = mil. rantsoen zout, later in geld uitbetaald, vandaar. soldij, ambtenaarstraktement, van salarius = het zout betreffend, van sal = zout, vgl. Gr. hals] bezoldiging, loon voor ambtelijke of kantoorarbeid.

1993
2021-12-01
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Salaris

loon

1990
2021-12-01
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

salaris

salaris - Te gebruiken voor de vergoedingen die regelmatig aan de werknemers worden betaald voor voortdurend werk of diensten en worden uitbetaald op basis van lange termijnen. Gebruik 'lonen' voor de vergoedingen die worden betaald op uur- of dagbasis of voor stukloon.

1981
2021-12-01
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

salaris

vaste, periodieke beloning van employés en ambtenaren.

1980
2021-12-01
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Salaris

Het Latijnse woord sal betekent: zout. Het bijvoeglijk naamwoord, daarvan afgeleid, is: salarius en heeft dus de betekenis: het zout betreffende. Daarvan werd weer een zelfstandig naamwoord gevormd: salarium, waarmee men aanduidde: het rantsoen zout dat aan de soldaten werd uitgedeeld. De salaria waren ook de inkomsten die de zoutpacht opleverde en...

Lees verder
1973
2021-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

salaris

o. (-sen), bezoldiging.

1955
2021-12-01
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Salaris

o., bezoldiging

1952
2021-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Salaris

s.n., salaris (it), traktemint (it), lean (it).

1950
2021-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Salaris

o. (-sen), bezoldiging, loon, inz. voor geestelijke arbeid over een bep. periode.

1937
2021-12-01
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

salaris

o. salarissen (Fr. salaire, gelatiniseerd: bezoldiging).

1916
2021-12-01
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Salaris

Salaris - zie ARBEIDSLOON.

1910
2021-12-01
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Salaris

Salaris - een der vele benamingen voor loon wegens bewezen diensten, meest gebruikelijk op de rekeningen (declaratiën) van advocaten, procureurs, notarissen, voorts voor het vaste jaarlijksche of maandelijksche loon van kantoorbedienden, boekhouders, agenten, enz. Voor handenarbeid wordt meer het woord arbeidsloon, dag- of weekloon gebruikt.

1898
2021-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Salaris

Salaris - o. (-sen), bezoldiging, vast loon.

1898
2021-12-01
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Salaris

zie Jaarwedde.