Wat is de betekenis van Ruzie?

2018
2021-05-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ruzie

ruzie - zelfstandig naamwoord uitspraak: ru-zie 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ mijn broers hebben altijd ruzie 1. ruzie maken [kwaad doen tegen iemand] 2....

Lees verder
2003
2021-05-17
Marga Schiet

MOM's lexicon van de opvoedmisstanden

Ruzie

Ruziemaken is zinloos. Het is goed voor kinderen om met conflicten om te leren gaan. Boosheid kan heel gezond zijn, vooral als je daarmee voor jezelf durft op te komen. Ook kinderen moeten hun positie in het gezin bepalen. Ze moeten leren wat wel en wat niet kan en hoe ze met hun emoties moeten omgaan, en daar moet heel wat voor geoefend worden. T...

Lees verder
1980
2021-05-17
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Ruzie

Er zijn een paar woorden in het Nederlands die aanvankelijk op een toonloze e eindigden, maar die uitgang later hebben verduidelijkt tot ie. Zo '\s bombarie ontstaan uit bombare, klandizie uit kallandyse en ruzie uit ruze, ruse, dialectisch ook ruize. Het woord is afgeleid van een oud werkwoord ruzen of ruizen dat betekende: lawaai maken. Het...

Lees verder
1973
2021-05-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

ruzie

v. (-s), (spreekt.) twist, onenigheid, m.n. luidruchtige woordenstrijd, hooglopend geschil, gekijf: maken, krijgen, zoeken; (gew.) in zijn of liggen.

1952
2021-05-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ruzie

s., rûzje, spul (it), drokte, heibel bargebiten (it), deilisskip, lijen (it) hege wurden, pl.;hebben, deilis wêze, yn ’e byt wêze, spul, lêst hawwe; — met iem. hebben, it mei immen by de, in ein hawwe, it mei immen oan 'e stôk hawwe; samenhebben,...

Lees verder
1950
2021-05-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Ruzie

v. (-s), 1. in de spreekt, het gewone woord voor twist, krakeel, bep. luidruchtige woordenstrijd, hooglopend geschil, gekijf: hij heeft altijd ruzie; ruzie maken, krijgen, zoeken; (Zuidn.) in ruzie zijn of liggen ; 2. (gew.) herrie, opschudding.

Lees verder
1939
2021-05-17
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Ruzie

Het „wordt vervolgd” van huwelijksroman.

1898
2021-05-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ruzie

Ruzie - v. (-s), twist, krakeel; hoogloopend geschil, gekijf: hii heeft altijd ruzie; ruzie maken.

1898
2021-05-17
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Ruzie

zie Twist.