Wat is de betekenis van ruiter?

2020
2020-11-24
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

ruiter

persoon die paardrijdt. persoon die op een paard rijdt; man die op een paard rijdt; iemand die paardrijdt. Voorbeelden: De ruiter springt van het ene naar het andere paard tijdens een rit. http://www.kleurplaten-voor-kids.nl/index.php?option=com_kleurplaatprinting&img=7901&fld=

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ruiter

ruiter - zelfstandig naamwoord uitspraak: rui-ter 1. iemand die op een paard rijdt ♢ de ruiter reed met zijn paard door het bos Zelfstandig naamwoord: rui-ter de ruiter de ruiters...

Lees verder
2017
2020-11-24
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Ruiter

Beroepsnaam voor een ruiter of een adresnaam ontleend aan een huis (of een schip) genaamd De Ruiter; zie De Ruiter. Daarnaast zou Rui(j)ter(s) een patroniem kunnen zijn, een klankvariant van Roeters; zie aldaar. Het is niet ondenkbaar dat er families zijn die uit een Duitse familie Reuter voortkomen; in dat geval kan behalve hier reeds vermelde ve...

Lees verder
2004
2020-11-24
vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Ruiter

Algemene naam voor het merendeel der soorten uit het geslacht Tringa, maar soms (in het geval van Blonde Ruiter) ook voor soorten daarbuiten. BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 noemt de naam Ruiter in verband met nog meer niet-verwante soorten (zoals de Steltkluut), en geeft zelfs tweemaal een 'officiële' N naam voor een soort af:...

Lees verder
1994
2020-11-24
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Ruiter

Ruiter (Ruyter), Herman de, Nederlands geuzenleider, *circa 1540, +(gesneuveld) 19.12.1570 slot Loevestein. De Ruiter was een veehandelaar uit 's-Hertogenbosch en nam in 1567 deel aan de bezetting van deze stad. Hij moest voor → Alva vluchten, werd door de → Raad van Beroerten veroordeeld en sloot zich aan bij de opstandelingen in de Betuwe. Op 9.1...

Lees verder
1990
2020-11-24
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

ruiter

ruiter - Personen die paardrijden.

1977
2020-11-24
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

ruiter

ruiter - in toep. op de man die de geslachtsdaad uitoefent (vgl. het hele erotische begrippen-complex van (be)rijden). Spitsbroer dats een kennis pop (= opgedirkte vrouw. H.), Die sou wel een ruyter draegen, Amst. Sonne-schyn B4r° [1639].Des morgens mocht hij dan eindelijk zijn vrouw omhelzen en bekennen, en zijn plicht als een braaf ruiter vol...

Lees verder
1973
2020-11-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

ruiter

m. (-s), 1. man te paard: hij is een geoefend —; 2. cavalerist: lichte en zware ruiters; 3. (militaria) Spaanse of Friese -, boom of haspelstok, al of niet met pinnen en prikkeldraad bestoken versperring, aan de uiteinden rustend op kruishouten: Spaanse —; ook als hindernis bij de paardesport; 4. (landbouw) houten drieof vierpotige s...

Lees verder
1949
2020-11-24
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Ruiter

regelgewichtje in de vorm van een verplaatsbaar haakje op de arm van een balans. Dient voor de nauwkeurige eindinstelling.

1933
2020-11-24
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ruiter

(landb.). Om de verliezen aan voederwaarde, die bij het drogen van gras en vlinderbloemige gewassen ontstaan, te beperken, maakt men gebruik van houten stellages, die met het te drogen product bepakt worden. In de bergstreken gebruikt men daartoe veelvuldig de zgn. Hieflern- en de Allgauer Heinze-staken, voorzien van dwarstakken resp. -latten, die...

Lees verder
1916
2020-11-24
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Ruiter

Ruiter - Een r. wordt in den land- en tuinbouw gebruikt voor het drogen van allerlei oogstproducten. Een r. bestaat uit 6 dunne palen; 3 ervan worden in den vorm van een pyramide opgezet, de 3 anderen worden op eenigen afstand van den grond horizontaal in ringen van ijzerdraad gelegd. Te zamen vormen zij een soort rek, waarop klaver, erwten, gras,...

Lees verder
1898
2020-11-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ruiter

Het begrip ruiter heeft 2 verschillende betekenissen: 1. ruiter - ruiter - m. (-s), paardrijder; soldaat te paard, cavalerist; — (fig.) een oude ruiter, een slimme vos, een doortrapte vent; — iem. zandruiter maken, hem uit het zadel lichten ; — ruiter te voet, voetganger; hij is ruiter te voet geworden, zijne zaken zijn achteru...

Lees verder