Wat is de betekenis van ruin?

2020
2023-02-07
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

ruin

gecastreerde hengst. Voorbeelden: Ik trok mijn in Kaapstad gekochte corduroy broek aan en we galoppeerden door een stuk vlak en lauw Zuid-Afrika. Joegen zelfs een eind achter een lynx aan. Napoleon had het voor mij en ik voor hem. Hem is veel gezegd want het was een ruin geworden. Karel Jonckheere, Miniaturen, 1979 Paarden zij...

Lees verder
1993
2023-02-07
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Ruin

gesneden hengst

1974
2023-02-07
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

ruin

gecastreerde hengst, ➝ castratie.

1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Ruin

m. (-en), gecastreerde hengst.

1954
2023-02-07
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Ruin

is een gecastreerde (gesneden) hengst. Men castreert meestal in het eerste levensjaar, omdat het opvoeden van hengstveulens na die tijd met vele bezwaren gepaard gaat. Hoe vroeger een hengst wordt gesneden des te meer zal hij in uitwendig voorkomen op een merrie gaan gelijken. Laat gesneden r. komen in bouw en eigenschappen meer met de hengst overe...

Lees verder
1952
2023-02-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ruin

s., rún, rúnhyn(s)der (it).

1951
2023-02-07
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

ruin

I. ondergang, verderf, vernietiging; ruïne; puin(hoop); bring to ruin, bring ruin on, te gronde richten, ruïneren; be (lie) in ruin (s), in puin liggen; run to ruin, in verval geraken; II. verwoesten, vernielen; ruïneren, bederven, in ’t verderf storten, te gronde richten; III. in puin vallen, te gronde gaan.

Lees verder
1951
2023-02-07
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Ruin

ondergang. ruïnering.

1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ruin

m. (-en), gesneden hengst.

1948
2023-02-07
Spaans woordenboek (SP-NL) 1948

Dr. C.F.A. van Dam

ruin

laag, gering, gemeen, verachtelijk; klein, nederig; vuil; gierig, vrekkig; vals (dieren).

1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ruin

m. ruinen (paard, gesneden hengst).

1933
2023-02-07
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Ruin

gesneden hengst.

1933
2023-02-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ruin

Gecastreerde hengst.

1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ruin

m. (-en) gesneden hengst.

1908
2023-02-07
Vivat

Schrijver op Ensie

Ruin

gesneden hengst.

1898
2023-02-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ruin

Ruin - m. (-en) gesneden hengst

1864
2023-02-07
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Ruin

Ruin, m. (B.m. en o.), (-en), gesneden hengst, paard. *-EN, bw. gel. (ik ruinde, heb geruind), eenen hengst van de teeldeelen berooven.

Lees verder