Wat is de betekenis van rooskleurig?

2024-02-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

rooskleurig

Het begrip rooskleurig heeft 3 verschillende betekenissen: 1) met de kleur van rode rozen. met de kleur van rode rozen; de kleur van rode rozen hebbend; rozenrood. 2) veelbelovend. hoopvol; veelbelovend. 3) optimistisch. gunstig; mooi; optimistisch.

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

rooskleurig

rooskleurig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: roos-kleu-rig 1. waar je veel van kunt verwachten ♢ zijn toekomst ziet er rooskleurig uit Bijvoeglijk naamwoord: roos-kleu-rig ... is rooskleuriger dan ... ...

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

rooskleurig

ligrooi; gunstig.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Rooskleurig

[in bet. 1. roos'-, bet. 2. rooskleu'rig], bn. bw., 1. (w. g.) de rooskleur hebbende: rooskleurig lint. 2. (fig.) schoon, veelbelovend, hoopvol: op een rooskleurige toekomst hopen; een rooskleurig verschiet; dat ziet er niet rooskleurig uit, dat is bedenkelijk, daarvan is veel te duchten;...

Wil je toegang tot alle 8 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

rooskleurig

bn., bw. (de kleur hebbende der rode roos; fig. schoon, veelbelovend; [te] gunstig voorgesteld): rooskleurige linten, fig. een rooskleurige toekomst; iets rooskleurig voorstellen; ook (inz. fig.) rooskleurig.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

rooskleurig

bn. en bw. I. ('ro:s) de rooskleur hebbend : -e zijde. II, ('kleurəch) 1. met rozen op de wangen : een -e knaap. 2. schoon, veelbelovend: een -e toekomst; iets voorstellen.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Rooskleurig

bn. en bw., (fig.) schoon, veelbelovend, hoopvol: op een rooskleurige toekomst hopen; dat ziet er niet rooskleurig uit, dat is bedenkelijk; hij weet alles rooskleurig voor te stellen, te mooi.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Rooskleurig

Rooskleurig - bn. bw. de rooskleur hebbende : dat kind ziet er rooskleurig uit, zeer gezond, met rozen op de wangen ; — (fig.) dat ziet er niet rooskleurig uit, dat is bedenkelijk, daarvan is veel te duchten; — hij weet alles rooskleurig voor te stellen, bijzonder mooi.