Wat is de betekenis van Rest?

2020
2022-07-07
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Rest

Zie Restina

2018
2022-07-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

rest

rest - zelfstandig naamwoord 1. wat nog over is ♢ de rest van de vakantie gaan we wandelen 1. stoffelijke resten [het lichaam van een dode] 2. voor de rest ...

Lees verder
1998
2022-07-07
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Rest

en de - is geschiedenis, cliché-einde van een biografische anekdote. Sinds de jaren tachtig. Uit het Engels: the rest is history. Twee van Amsterdams beroemdste zonen - Johnny Jordaan en Johan Cruyff - hebben hun ideale biograaf gevonden in een andere beroepsmokum- mer: Bert Hiddema. Op 25 april 1947 werd Koning Voetbal geboren, op 25 april 1957 we...

Lees verder
1998
2022-07-07
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

rest

1. De nog resterende slagen. 2. Uitdrukking gebruikt door een speler die alle resterende slagen wil claimen.

Lees verder
1973
2022-07-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Rest

v./m. (-en), 1. overschot: de van het gebruikte materiaal; stoffelijke resten, stoffelijk overschot; (rekenkunde) wat overblijft na een rekenkundige bewerking: die deling gaat op zonder; (scheikunde) wat uit een verbinding overblijft na een bepaalde reactie; 2. het verdere, wat nog blijft voor de toekomst: de rest van zijn leven sleet hij in afzond...

Lees verder
1952
2022-07-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Rest

s., rest, rêst, oerskot (it); de —, it oare; de(van personen), de oaren.

1951
2022-07-07
Engels

Woordenboek Engels (1951)

rest

I. rusten, uitrusten (van from); rustig blijven; rust hebben; rest on (upon), rusten op [v. zorg]; gebaseerd zijn op, steunen, berusten op; II. laten (doen) rusten, rust geven; baseren, steunen; (God) rest his soul, de Heer hebbe zijn ziel; III. rest oneself, (uit) rusten; IV. rust, pauze; rustplaats, tehuis; rustpunt, steun(tje); bok [bij &rsquo...

Lees verder
1950
2022-07-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Rest

v. (-en), 1. wat overblijft of gebleven is: de rest van het gebruikte materiaal; resten van een maaltijd; — (in ’t bijz.) wat overblijft na het volvoeren van een rekenkundige bewerking: die deling gaat op zonder rest; wat uit een vroegere tijd is overgebleven : resten van vroegere schoonheid; 2. wat nog blijft voor...

Lees verder
1939
2022-07-07
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Rest

(< Lat. restum). Als math. term gevormd onder invloed van het Ital. resto; voordien waren de gebruikelijke termen reliquum, residuum en superflimm.

1937
2022-07-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

rest

v. -en; (Fr. reste): overschot.

1933
2022-07-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Rest

(wisk.) 1° ➝ Deeling. 2° Een getal a, dat ondeelbaar is t.o.v. een getal b, heet een nde machtsrest van b, indien er een nde macht xn bestaat zoodanig, dat xn—a deelbaar is door b. Voor n = 2 spreekt men van kwadraatrest, voor n = 3 van kubiekrest, voor n = 4 van bikwadraatrest. v.d. Corput.

Lees verder
1932
2022-07-07
Muziek

Muziek lexicon

Rest

(Eng.): rust, rustteeken.

1916
2022-07-07
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Rest

Rest - Overschot na de uitvoering van een niet-opgaande deeling. B.v. 7 gedeeld door 3 geeft 1 tot rest, omdat 7 = 2 X 3 + 1; zie verder bij GETALLENTHEORIE.

1910
2022-07-07
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Rest

Rest - overschot, verschil ten goede.

1898
2022-07-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Rest

Rest - v. (-en), overschot; het overgeblevene : hij kwam te laat en kreeg het restje; wat moet ik met het restje in de flesch doen ?; — de rest van eene deelsom ; die som geeft O tot rest, de deeling gaat juist op ; — slechts een paar personen luisterden aandachtig, de rest volgde den spreker in het geheel niet; — de rest kun je...

Lees verder
1864
2022-07-07
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

rest

rest - v. overschot; het overgeblevene; achterstand; in rest blijven, nog onvoldaan □ , nog schuldig blijven; (fig.) iem. de rest geven, hem den genadeslag toebrengen, hem geheel ten gronde richten; (fig.) hij heeft de rest, hij is dronken