Wat is de betekenis van Rein?

2020
2021-01-20
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Rein

Friese naam. Eenstammige verkorting van Germaanse namen met rein-, regin-, 'raad' (zie regin-). Vgl. Bach 101: Reinzo = Raynaldus (= Reinout). Zie ook Rien.

2019
2021-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Rein

Rein - Eigennaam 1. (mannelijke naam) jongensnaam, afkorting van Reinier of Reinaert

Lees verder
2018
2021-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

rein

rein - bijvoeglijk naamwoord 1. zonder stof, viezigheid of vlekken ♢ het is erg rein in haar keuken 1. in het reine brengen [misverstanden oplossen] 2. reine dieren ...

Lees verder
2017
2021-01-20
Ignace Bossuyt

Van noten en tonen. Wegwijs in muzikale begrippen.

Rein

Eigenschap van de intervallen octaaf, kwint en kwart, die te herleiden zijn tot de eenvoudigste mathematische verhoudingen (verminderd, overmatig).

1978
2021-01-20
Germanismen in het Nederlands

Dr. S. Theissen

Rein

In het Nederlands wordt rein soms in verschillende betekenissen gebruikt, die eigen zijn aan het Duitse ‘rein’, dat een groter betekenisveld heeft: a.Rein als bijwoord, in de zin van ‘zuiver, louter, uitsluitend’: ‘de rein orchestrale gedeelten van een dramatisch werk...’ De puristen beschouwen dit gebruik als ee...

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

rein

bn. en bw. (-er, -st), 1. proper, zindelijk, zonder vlek: reine handen, straten; (zegsw.) klein, maar niet groot, maar proper; niet — zijn, ongedierte hebben; 2. zedelijk zuiver, onbevlekt, onbesmet: een geweten, zich van geen kwaad bewust; zelfst.: de reine is alles — (naar Tit.1,15); 3. ten opzichte van de godheid in de juiste situa...

Lees verder
1964
2021-01-20
voornamen

Voornamenboek

Rein

m/v Fri. naam. Eenstammige verkorting van Germ. namen met rein-, regin-, ‘raad’ (zie regin-). Vgl. Bach 101: Reinzo = Raynaldus (= Reinout). Zie ook Rien.

Lees verder
1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Rein

I. REIN, bn. bw. (-er, -st), 1. schoon, zindelijk, zonder vlek : reine handen, straten; het glaswerk rein houden; spr.: klein, maar rein, niet groot, maar proper; 2. zedelijk zuiver, onbevlekt, onbesmet: een rein geweten, zich van geen kwaad bewust ; rein van zonden; Jezus bloed heeft ons allen rein gewasse...

Lees verder
1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Rein

Rein - bn. bw. (-er. -st), schoon, zuiver; een rein geweten, zich van geen kwaad bewust; onbevlekt, onbesmet: Jezus’ bloed heeft ons allen rein gewasschen; den reinen is alles rein (Titus 1 : 15); — ongeschonden; kuisch, eerbaar: eene reine maagd; — zindelijk, schoon: het glaswerk rein houden; — klein, maar rein, lief, moo...

Lees verder
1898
2021-01-20
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Rein

zie Echt, zie Eerbaar.