Regent
(<Fr.), m. (-en). 1. bewindhebber, iem. die met regeringsgezag bekleed is; bep. in toepassing op de regeringspersonen uit de (latere) tijd van de Republiek der Ver. Nederlanden, de regerende aristocratie : onze regenten waren vaak zeer bekwame bestuurders ; de staatsie der regenten; — iem. die aanleg heeft voor het regeren: ...