Wat is de betekenis van Reëel?

2018
2021-01-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

reëel

reëel - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: re-eel 1. precies als in de werkelijkheid ♢ het is een reëel gevaar dat hij verdrinkt 2. met de werkelijkheid als uitgangspunt ♢ wat hij wil, is niet reë...

Lees verder
2017
2021-01-26
Algemene economie en bedrijfsomgeving

Algemene economie en bedrijfsomgeving

Reëel

Het volume van een bepaalde variabele in een bepaalde periode, meestal vergeleken met een voorafgaande periode.

1993
2021-01-26
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Reëel

werkelijk; economische waarde hebbend

1973
2021-01-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

reëel

[→Fr.], bn. en bw. (reële, reëler, reëelst), 1. werkelijk, wezenlijk, inderdaad bestaande (tegenover denkbeeldig of ideëel): reële dingen; een — geval; reële gevaren; dat is niet —; (natuurkunde) een — beeld, dat op een scherm op te vangen, dus onafhankelijk van de zintuigen aantoonbaar is (b.v....

Lees verder
1958
2021-01-26
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

REËEL

Ook: reële goedschatting of reële honderdste penning. Belasting, geheven in 1711 en seder 1713 jaarlijks, op de bebouwde en onbebouwde eigendommen. Zou bedragen 1 pct. van de waarde. Werd echter gebaseerd op de huurwaarde, waarvan de huurder de vierde, bij gebouwde eigendommen de 5 ½ de en bij bossen de achtste penning moest betale...

Lees verder
1950
2021-01-26
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Reëel

(<Fr.), bn. bw., 1. werkelijk, wezenlijk, inderdaad bestaande (tgov. denkbeeldig of ideëel): een reëel geval; reële gevaren; een reële gestalte; dat is niet reëel; — (nat.) een reëel beeld, met de zintuigen waarneembaar (tgov. virtueel);een reëel getal...

Lees verder
1949
2021-01-26
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Reëel

bestaanbaar (1) (wisk.), z Getallen; (2) (natuurk.) wordt gezegd van een beeld dat men desgewenst op een scherm kan laten vallen zodanig dat de afbeelding van het voorwerp op de plaats van het scherm ontstaat. Tegenovergestelde: virtueel.

Lees verder
1948
2021-01-26
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

reëel

werkelijk, feitelijk, zakelijk; wezenlijk; geloofwaardig, zeker (zie ook reaal). reel. (Hel) (Eng.) Schotse springdans; News ~, filmjournaal.

Lees verder
1939
2021-01-26
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Reëel

(< Fr.réel\ < Lat. realis = werkelijk; < res = ding). Math. samenvattende term voor rationaal en irrationaal bij getallen.

1923
2021-01-26
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Reëel

(van res, gen. rei, zaak), zakelijk, werkelijk (van een optisch beeld).

1916
2021-01-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Reëel

Reëel - bestaanbaar, tegenover imaginair.

1914
2021-01-26
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

reëel

reëel - werkelijk; wezenlijk; geloofwaardigheid ; zie ook:„reaal”.

1910
2021-01-26
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Reëel

Reëel - werkelijk, vast, solide; reëele waarde: metaalwaarde van munten.

1898
2021-01-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Reëel

Reëel - bn. bw. werkelijk, zeker bestaande (in tegenst. van ideaal, denkbeeldig); reëele kennis, practische kennis, kennis van zaken, van feiten; — de reëele waarde van effecten, de werkelijke waarde (in tegenst. van de nominale waarde); reëele getallen, zie GETAL.

Lees verder
1864
2021-01-26
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

reëel

reëel - bn. en bijw. werkelijk, waarlijk; echt, zeker, geloofwaardig; de reëele (werkelijke) waarde (in tegenstelling van de nominale waarde). Zie reaal