Wat is de betekenis van rampzalig?

2018
2021-01-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

rampzalig

rampzalig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ramp-za-lig 1. als van een ramp ♢ het was een ongelukje met rampzalige gevolgen Bijvoeglijk naamwoord: ramp-za-lig ... is rampzaliger dan ... ...

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

rampzalig

bn. en bw. (-er, -st), hoogst ongelukkig, erbarmelijk, noodlottig: een — slachtoffer; een huwelijk.

1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Rampzalig

bn. bw. (-er, -st), (thans nogal rhetorisch) 1. rampspoed lijdend, diep ongelukkig: een rampzalig mens, slachtoffer; 2. gepaard gaande met rampspoeden, vol van rampspoed: telkens werd hij aan die rampzalige dag herinnerd; een rampzalig huwelijk; 3. rampspoed veroorzakend: de rampzalige invloed der politieke intrigues;...

Lees verder
1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Rampzalig

RAMPZALIG bn.bw. (-er, -st), noodlottig, akelig, ijselijk; verdoemd : telkens werd hy aan dat rampzalig oogenblik herinnerd; toen nam hij dat rampzalige besluit; voor eeuwig rampzalig’, — (fig.) slecht, ellendig; zeer armoedig, jammerlijk : is er rampzaliger schepsel dan hij ?; in welk een rampzaligen toestand heeft hij vrouw en kindere...

Lees verder