2020-04-07

rammen

rammen: heel hard op kop rijden.

2020-04-07

rammen

rammen - regelmatig werkwoord uitspraak: ram-men 1. ergens hard tegenaan stoten, beuken ♢ hij ramde met zijn schouder de deur kapot Regelmatig werkwoord: ram-men ik ram jij/u ramt hij/zij ramt wij/zij/jullie rammen ik/jij/u/hij/zij ramde ...

2020-04-07

Rammen

Rammen - zeer hard tackelen.

2020-04-07

Rammen

RAMMEN (ramde, heeft geramd), wegbonzen (de palen bij het afloopen van schepen).

2020-04-07

Rammen

Jargon voor 'racen met vol gas' en niet direct bedoeld in de letterlijke betekenis, al valt deze niet te verwaarlozen.

2020-04-07

rammen

Keihard op kop blijven rijden. Syn.: beuken. Je hoeft niet te rammen, je kunt ook lekker rustig rijden... (Mart Smeets: Kopmannen en waterdragers. 1992) Vooraan rammen de mannen van ‘t groot verzet: Mattan, De Meester, Omloop en Vanderaerden. (Michel Wuyts: Renners van nu. 2003)

2020-04-07

rammen

(onov ww; ramde; h. geramd) - een grote krachtsinspanning leveren, een hoog tempo aanhouden, keihard fietsen, syn. beuken. • Toen zette Hinault zich op kop. Hij ging vol aan. Keek niet op of om en ramde in één ruk naar de Belg. (couww)

2020-04-07

rammen

rammen - (argot) vechten; stooten, duwen; gooien.

2020-04-07

rammen

vechten. Als jullie rammen willen, gaat dan op de vlakte. De jongens gingen rammen met de geslagen treiters.

2020-04-07

rammen

Metaal of met metaal beslagen spoor dat aan de voorsteven of het voorschip van zekere oorlogsschepen werd gebouwd, o.m. aan galeien van de oudheid tot in de 18de eeuw. Met deze ram kon een vijandelijk schip germad worden met het doel het tot zinken te brengen of ten minste zwaar te beschadigen.

2020-04-07

rammen

('rammən) (ramde, heeft geramd) 1. rammelen. 2. dwarsscheeps erop varen en tot zinken brengen: een duikboot -.

2020-04-07

rammen

rammen - eig. ‘stoten’, vervolgens ook: coïre (met nadruk op de rol van de man); ook de eerste bet. van neuken is ‘stoten’ (vgl. nog bonzen en kloppen). Reeds vermeld door KIL. [1599] in de bet. ‘bespringen (zoals bokken doen)’, en daar natuurlijk afl. van ram ‘mannelijk schaap’. Zijn lul werd harder en hij begon sneller te rammen, L. 174 [1967].