Wat is de betekenis van raken?

2018
2023-01-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

raken

raken - regelmatig werkwoord uitspraak: ra-ken 1. hem een klap, schot of stoot toebrengen ♢ de kogel raakte hem in de schouder 2. hem ontroeren ♢ zijn opmerking raakte me erg ...

Lees verder
2014
2023-01-28
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

raken

in: van raak ’em, flink, raak, ‘niet mis’: Feur de suyferhaad, crestreire se koaters, kippe en knaane ... fèn roakem! QUERIDO 1, 403.

2004
2023-01-28
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

raken

zie geraken.

1998
2023-01-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Raken

’m - zich bezatten of zich vol vreten; overmatig drinken of eten. Informele uitdr. Voor ‘drinken, zuipen’ gebruikte men vroeger ook het slangwoord meppen. En reken maar dat we ’m effetjes geraakt hebben hoor. Ik zat helemaal daabs voor de ruit. (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966) Jezus man, wat kan jij ’m raken. (Dolf de Vries: Boos do...

Lees verder
1977
2023-01-28
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

raken

raken - coïre; eig. ‘treffen’ (vgl. tokkelen). G. Hoe ist Jannetje benie niet swaer? J. Dat most me de wijnt an waeyen (= dat zou van de wind moeten zijn, H.)G. Ick hebje iens eraeckt wis, Tis noch jongh lieve Moer, datter te nacht emaeckt is, v. MILDERT, Sr. Groengeel 2 [1633].

Lees verder
1973
2023-01-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

raken

(raakte, heeft en is geraakt), 1. treffen door een slag, stoot, worp, schot, enz.: de schijf raken sloeg hem waar hij hem raken kon; (biljarten) om de bal te trekken moet je hem van onderen raken ; 2. thans bijna alleen in hem (’m) raken; hij drinkt alleen bij bijzondere gelegenheden, maar dan raakt hij hem ook!; 3. geestelijk treffen, ontr...

Lees verder
1952
2023-01-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Raken

v., reitsje, r e k k e, r e k k e; kant noch wal, nearne nei roaije, nearne hinne kinne, gjin kant út kinne; het raakt kant noch wal, it roait fuotten noch fiemen, igge noch seame(n), igge noch wâl, igge noch kant, it hat skik noch roai, roai noch liken, mjitte noch roai.

1950
2023-01-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Raken

(raakte, heeft en is geraakt), 1. (overg.) (een doel) treffen, door een slag, stoot, worp, schot enz.: de schijf raken; hij sloeg hem waar hij hem raken kon; (bilj.) om de bal te trekken moet je hem van onderen raken; (Zuidn.) van de kwade hand geraakt zijn, betoverd zijn; — (volkst.) van raakem,...

Lees verder
1949
2023-01-28
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Raken

(meetk.), het snijden van een kromme door een rechte lijn zodanig dat de beide snijpunten oneindig dicht bij elkaar liggen; z Raaklijn.

1937
2023-01-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

raken

raakte, h. (1, 2, 3, 4), i. (5) geraakt (1 treffen door een stoot, schot, slag; 2 bewegen, roeren; 3 betreffen; 4 aanraken; 5 geraken tot): 1. de schijf raken; z. ook wal; 2. iems. hart raken; 3. dat raakt hem niet, gaat hem niet aan; dat raakt mij van zeer nabij; 4. zonder het net te raken; de cirkels raken elkaar; 5. in brand raken, vlamvatte...

Lees verder
1933
2023-01-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Raken

(meetk.). De rechte, die een punt P van een kromme met een naburig punt Q verbindt, zal om P draaien, als Q langs de kromme tot P nadert, en ten slotte een grensstand PR bereiken, als P met Q samenvalt. De snijlijn PQ is dan overgegaan in de raaklijn PR; P is het raakpunt. Men zegt, dat PR de kromme in twee samenvallende punten snijdt. Evenzoo is...

Lees verder
1930
2023-01-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

raken

(raakte, geraakt) I. (heeft) [~ rekken] 1. treffen: een schot, slag, stoot, worp kan -; de soldaat heeft de schijf geraakt; hij raakt het, eet, drinkt veel. ➝ kant, kleed. Tgst. missen. 2. aandoen, bewegen; iemands hart -. ➝ geraakt. 3. Gemz. betreffen: dat raakt hem niet; raakt mij dat? Syn. ➝ aanbelangen. 4. grenzen: die huizen elkaar n...

Lees verder
1911
2023-01-28
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Raken

(aanraken) van den Idg. wt. reg = sturen, richten, in rechte lijn uitstrekken, rekken. Door rekken, reiken, komt men tot raken, aanraken, treffen; vandaar ook: dat raakt u niet = dat treft, betreft u niet. Rakelen is een frequ. van een ander „raken” van den Germ. wt. rak = bijeenvoegen, bijeenschrapen, vgl. ’t Mnl.: „Enen co...

Lees verder
1910
2023-01-28
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Raken

Raken - als de schade aan verzekerde goederen meer bedraagt, dan het percentage der franchise, zegt men dat zij „raak” is.

1898
2023-01-28
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Raken

zie Aanbelangen.

1864
2023-01-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Raken

Raken, bw. gel. (ik raakte, heb geraakt), treffen, bereiken; aandoen, bewegen; betreffen, betrekking hebben op; met de einden tegen elk. slaan; leunen tegen, palen aan, beroeren; toekomen; betamen; vermaagschapt zijn met; dit heeft zijn hart geraakt (aangedaan); wat raakt u dat? wat gaat u dat aan? waarom bemoeit gij er u mede? (fig.) ligt geraakt...

Lees verder