Wat is de betekenis van Raadsheer?

2018
2022-12-08
Openbaar Ministerie

Begrippenlijst Openbaar Ministerie

Raadsheer

De raadsheer is de rechter bij het Gerechtshof.

2016
2022-12-08
Rechtspraak

Begrippen in de rechtspraak

Raadsheer

Rechter bij het gerechtshof of de Hoge Raad. Ook een vrouwelijke raadsheer wordt raadsheer genoemd, want met een raadsvrouw/raadsman wordt een advocaat bedoeld.

2009
2022-12-08
Juridische methoden

Begrippenlijst Juridische methoden.

Raadsheer

rechter (m/v) bij het gerechtshof of de Hoge Raad.

2004
2022-12-08
vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Raadsheer

(1) Oude N naam voor de Ivoormeeuw ←, gebruikt door Houttuyn 1763: "Onder de Groenlandsche of Spitzbergsche Vogelen, maakt MARTENS van eenen gewag, dien hy den Raadsheer noemt, schynende ook tot de Meeuwen te behooren. Immers deeze heeft het geheele Lyf Sneeuw-wit, den Bek dun en smal, scherp, zwart van kleur, gelyk ook de Pooten, welke d...

Lees verder
1992
2022-12-08
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

raadsheer

Rechter, werkzaam bij een gerechtshof of de Hoge Raad.

1973
2022-12-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

raadsheer

m. (-heren), 1. lid van een raad; in Nederland m.n. lid van een gerechtshof, of van de Hoge Raad; ook in toepassing op vrouwelijke personen; (in België) lid van een hof van beroep, een arbeidshof, Hof van Cassatie, of lid van het Rekenhof; 2. (ook: loper), een van de stukken in het schaakspel.

Lees verder
1952
2022-12-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Raadsheer

s., riedshear.

1950
2022-12-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Raadsheer

m. (...heren), 1. lid van een raad (6.); inz. lid van een gerechtshof, of van de Hoge Raad ; — (in België) lid van een hof van beroep of van het hof van verbreking; 2. naam van een der stukken in het schaakspel, t.w. het stuk dat bij het begin van het spel naast de koning of koningin staat opgesteld; loper; 3. soort van sierduif met ee...

Lees verder
1949
2022-12-08
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Raadsheer

lid van de Hoge Raad of Gerechtshof. Raadsman wordt genoemd de advocaat, optredend in een strafzaak.

1937
2022-12-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

raadsheer

m. raadsheren (rechter in een der 5 gerechtshoven en in de Hoge Raad [in België: in de hoven van beroep en het hof van verbreking]; een der stukken op het schaakbord; soort v. duif; vroeger: gemeenteraadslid).

1937
2022-12-08
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Raadsheer

Rechter van een gerechtshof of van den Hoogen Raad. Een stuk uit het schaakspel. Een soort duif.

Lees verder
1933
2022-12-08
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Raadsheer

1) rechter i/e der gerechtshoven, ook i/d Hoogen Raad der Ned,; 2) een der stukken i/h schaakspel.

Lees verder
1933
2022-12-08
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Raadsheer

of raad noemt men de leden van den ➝ Hoogen Raad en van de ➝ Gerechtshoven, in tegenstelling tot de leden der ➝ Rechtbanken, die men rechters noemt.

1930
2022-12-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

raadsheer

('ra:ts) m. (...heren) I. Eig. 1. Algm. hij die raad geeft: een van de vorst; het is een met een p [een praatsheer], men zoekt goede raad bij hem tevergeefs. 2. Inz. rechter in een gerechtshof of in de Hoge Raad: in het Hof van Kassatie. II. Metf. 1. stuk in het schaakspel. 2. sierduif met een halskraag die de kop verbergt.

Lees verder
1916
2022-12-08
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Raadsheer

Raadsheer, - lid van den Hoogen Raad of van een gerechtshof.

1898
2022-12-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Raadsheer

Raadsheer m. (-en), lid van een raad, van een gerechtshof, senator; — naam van een der stukken in het schaakspel; j — eene soort van sierduif met een uit gekrulde veeren bestaanden halskraag.

Lees verder
1864
2022-12-08
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Raadsheer

Raadsheer, m. (-en), lid van eenen raad, - van een geregtshof, † senator; naam van een der stukken in het schaakspel. *-LIJK, bn. op eenen raadsheer betrekking hebbende, tot hem behoorende; de -e waardigheid; de -e zetel. *-SCHAP, o. ambt van raadsheer.

Lees verder