Wat is de betekenis van Puntig?

2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

puntig

puntig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: pun-tig 1. pienter en gevat ♢ hij maakt altijd van die puntige opmerkingen 2. met een punt op het eind ♢ deze hoed is puntig Bijvoeglijk naam...

Lees verder
1990
2022-11-27
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

puntig

puntig - Met of uitlopend op een smal, relatief scherp uiteinde.

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

puntig

bn. en bw. (-er, -st), 1. scherp, stekend, snijdend: puntige naalden; oneig.: haar scherpe geest; 2. in een punt uitof toelopend, spits: puntige bladeren, spits uitlopend; puntig toelopen; iets puntig bijsnijden; 3. (fig.) toegespitst, kort, beknopt, snedig, geestig: een gezegde; een uiterst puntige formulering; bw.: iets puntig zeggen.

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Puntig

adj., puntich, spits, skerp; (met scherp uiteinde, b.v. van schepen), pikich.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Puntig

I. PUNTIG bn. bw. (-er, -st). 1. (veroud.) correct, precies, accuraat, nauwkeurig; 2. netjes, keurig : zij reeg haar keursje wel puntig en net; 3. zindelijk, helder: een puntige vrouw; ’t is er erg puntig. II. PUNTIG bn. bw. (-er, -st), 1. scherp, stekend, snijdend: puntige naalden; een puntige pen kraste...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

puntig

bn., bw. (1 spits, scherp; 2 snedig; 3 proper, net): 1. een puntige rots; 2. een puntig gezegde, geestig, hekelend; 3. ze is in alles zo puntig, net, zindelijk.

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

puntig

(‘puntəch) bn. en bw. (-er, -st) 1. voorzien van een punt, spits: een -e rots. Tgst. stomp. 2. tot een punt uitlopend: -e klederen. 3. geestig, hekelend: -e gezegden; iets zeggen. 4. nauwkeurig: zeer in geldzaken. 5. net, zindelijk, propertjes: hij is altijd even -.

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Puntig

Puntig bn. bw. (-er, -st), voorzien van eene punt: een puntige paal; iets puntig bijsnijden; — puntig toeloopen, in eene punt uitloopen; — (plantk.) puntige bladeren, spits uitloopende; — (fig.) snedig, scherp, hekelend : een puntig antwoord, gezegde; — hij is puntig, hij is geestig; (ook) hij is scherp; — iets puntig...

Lees verder