Wat is de betekenis van Puntig?

2025-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Puntig

I. PUNTIG bn. bw. (-er, -st). 1. (veroud.) correct, precies, accuraat, nauwkeurig; 2. netjes, keurig : zij reeg haar keursje wel puntig en net; 3. zindelijk, helder: een puntige vrouw; ’t is er erg puntig. II. PUNTIG bn. bw. (-er, -st), 1. scherp, stekend, snijdend: puntige naalden; een puntige pen kraste...

2025-12-09
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

puntig

puntig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: pun-tig 1. pienter en gevat ♢ hij maakt altijd van die puntige opmerkingen 2. met een punt op het eind ♢ deze hoed is puntig Bijvoeglijk naam...

2025-12-09
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

puntig

puntig - Met of uitlopend op een smal, relatief scherp uiteinde.

2025-12-09
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

puntig

met ‘n punt; skerp; geestig, raak, kernagtig.

2025-12-09
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Puntig

adj., puntich, spits, skerp; (met scherp uiteinde, b.v. van schepen), pikich.

2025-12-09
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

puntig

bn., bw. (1 spits, scherp; 2 snedig; 3 proper, net): 1. een puntige rots; 2. een puntig gezegde, geestig, hekelend; 3. ze is in alles zo puntig, net, zindelijk.

2025-12-09
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

puntig

(‘puntəch) bn. en bw. (-er, -st) 1. voorzien van een punt, spits: een -e rots. Tgst. stomp. 2. tot een punt uitlopend: -e klederen. 3. geestig, hekelend: -e gezegden; iets zeggen. 4. nauwkeurig: zeer in geldzaken. 5. net, zindelijk, propertjes: hij is altijd even -.

2025-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

puntig

bn. en bw. (-er, -st), 1. scherp, stekend, snijdend: puntige naalden; oneig.: haar scherpe geest; 2. in een punt uitof toelopend, spits: puntige bladeren, spits uitlopend; puntig toelopen; iets puntig bijsnijden; 3. (fig.) toegespitst, kort, beknopt, snedig, geestig: een gezegde; een uiterst puntige formulering; bw.: iets puntig zeggen.

2025-12-09
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Puntig

Puntig bn. bw. (-er, -st), voorzien van eene punt: een puntige paal; iets puntig bijsnijden; — puntig toeloopen, in eene punt uitloopen; — (plantk.) puntige bladeren, spits uitloopende; — (fig.) snedig, scherp, hekelend : een puntig antwoord, gezegde; — hij is puntig, hij is geestig; (ook) hij is scherp; — iets puntig...

2025-12-09
Prisma Nederlands-Engels

Unieboek | Het Spectrum (2025)

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-09
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)