Puntig
I. PUNTIG bn. bw. (-er, -st). 1. (veroud.) correct, precies, accuraat, nauwkeurig; 2. netjes, keurig : zij reeg haar keursje wel puntig en net; 3. zindelijk, helder: een puntige vrouw; ’t is er erg puntig. II. PUNTIG bn. bw. (-er, -st), 1. scherp, stekend, snijdend: puntige naalden; een puntige pen kraste...