Wat is de betekenis van puik?

2020
2022-06-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

puik

(1927, vero.) (jeugd) goed, fijn. In Onze Taal (november/ december 1970) vermeld als tienerwoord van vroeger. • O puik! Ik heb de beeldigste bochten genomen. En ik ben achteruit een hek binnengereden. En ik heb eigenhandig gezwenkt!! (Cissy van Marxveldt: Een zomerzotheid. 1927) • Die huishoudster uit Holland is een puik idee. (Jo van Am...

Lees verder
1980
2022-06-25
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Puik

Puik hangt samen met een niet meer voorkomend werkwoord puiken: uitlezen, uitkiezen. Het betekent: uitgelezen, uitstekende koopwaar. De beste vis heette: het puikje van de vismarkt. In het bijzonder echter bezigde men het voor de allerbeste kwaliteit laken. In 1550 schrijft Aert van der Goes ‘dat alle de lakenen die binnen den lande van Holla...

Lees verder
1973
2022-06-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

puik

I. bn. en bw. (-er, -st), voortreffelijk, uitmuntend: puike waar; samenspel; bw.: met mij gaat het puik; II. zn., o. het beste in zijn soort; m.n. in verbinding met een voorzetselbep. met van: het van de bevolking.

Lees verder
1952
2022-06-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Puik

adj. & adv., pûk, púk, pûrbêst.

1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Puik

I. bn. bw. (-er, -st), 1. (van zaken, inz. koopwaren) van eerste of zeer goede kwaliteit: puike haring, puike aardappelen, puike waar; 2. (niet alg.) voortreffelijk, uitmuntend: een rommeltje van bloemen, een overschot dat niet puik genoeg was voor de serre; de vader van de bruid was een degelijke man en de moeder ook puik; puik samenspe...

Lees verder
1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

puik

1. o. (het beste, het uitstekende, het voortreffelijkste, het uitgelezenste): het puik van uwen aardschen schat; het puik der schonen; het puikje, het allerbeste; 2. bn. (best, uitmuntend): puike waren, puike groenten.

Lees verder
1898
2022-06-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Puik

Het begrip puik heeft 2 verschillende betekenissen: 1. puik - puik - Puik bn. bw. (-er, -st), best, opperbest, keurig: puike haring; puike aardappelen; puike waar; hij heeft puik opgepast. 2. puik - puik - Puik o. het beste, de bloem : het puik of puikje der jongelingen; het is het puikje van de zalm, het beste van het beste.

Lees verder