Wat is de betekenis van Prul?

2020
2022-01-22
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

prul

1) (begin 20e eeuw) (inf. Vlaanderen) mannelijk lid. • De Schele Vanderlinde die liep wat mank, Zijne prul was wel ne meter lank. (Willem Elsschot: De Schele Vanderlinde. Studentenlied begin 20e eeuw) • (Robert Henk Zuidinga: Eroticon: het ABC van de erotiek. 1990) 2) (19e eeuw) (scheldw.) nietswaardig persoon. • Pru...

Lees verder
2018
2022-01-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

prul

prul - zelfstandig naamwoord 1. iets wat weinig waarde heeft ♢ mevrouw Evaline heeft haar hele huis vol gezet met prullen Zelfstandig naamwoord: prul het prul de prullen het pru...

Lees verder
2007
2022-01-22
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

Prul

nietswaardig persoon. Eigenlijk: waardeloos voorwerp; vod. Er is nu met die bovenaangehaalde lessen van den heer Hack een krachtig protest bedoeld tegen al de eigen lof, brutaliteit, luchthartigheid en grofheid, die in vroeger tijd in den N.G. werden gelaakt, en waarbij lieflijkheden als prul, polichinel, beunhaas, kunstverknoeier, somnambule, char...

Lees verder
1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

prul

o. (-len), 1. voorwerp van weinig of geen waarde: oude prullen; 2. waardeloos geschrift of ander kunstprodukt: een prul van een boek, van een schilderij; 3. voorwerp van weinig belang; in het mv. ook zonder ongunstige betekenis, zoveel als boeltje of snuisterijen: zij heeft nette prulletjes, aardig huisraad; 4. nietswaardig persoon: een prul van ee...

Lees verder
1952
2022-01-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Prul

s.n., prul (it), flarde, fodde, todde; -len, rêdding, snypsnaren, pl., snypsnaerderij, snypsnoarrerij, fodderijen, pl., neskerijen, pl.

1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Prul

o. (-len), 1. ding van weinig of geen waarde: oude prullen; — een prul van een boek, een boek zonder waarde; 2. (mv.) praatjes; dwaze vooroordelen: iem. prullen vertellen, prullen ophangen, hem wat wijsmaken; 3. (mv.) snuisterijen: zij heeft nette prulletjes, aardig huisraad; 4. nietswaardig persoon: een prul...

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

prul

o. prullen, prulletje (nietig, waardeloos ding, beuzeling, vod): allerlei prullen; wat een prul! een prul van een vent, of: een prulvent = Z.-N.

1898
2022-01-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Prul

Prul - o. (-len), ding van weinig of geen waarde : oude prullen; — een prul van een boek, een boek zonder waarde; — een prul van een vent, iem. die niets waard is; — praatje voor de vaak : iem. prullen vertellen, prullen ophangen, hem wat wijsmaken. PRULLETJE, o. (-s).

Lees verder