Wat is de betekenis van Privé?

2018
2021-03-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

privé

privé - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: pri-vee 1. wat met een bepaalde persoon te maken heeft ♢ wat ik verdien, dat is privé Bijvoeglijk naamwoord: pri-vee Synoniemen persoonlijk

Lees verder
1993
2021-03-08
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Privé

particulier; persoonlijk

1973
2021-03-08
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

privé

[Fr.], bn. en bw., particulier, privaat, persoonlijk: dat is voor meneer N. -, niet in zijn functie, maar als particulier persoon; in (het) -, voor zichzelf, uit eigen beurs; —, aanduiding op brieven of mededelingen van vertrouwelijke aard, ook als deuropschrift.

1950
2021-03-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Privé

(Fr.),bn. bw., particulier,privaat, persoonlijk: in (het) privé, voor zichzelf, uit eigen beurs; — privé, als aanduiding op brieven of mededelingen van vertrouwelijke aard.

1948
2021-03-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

privé

(Fr.) o. geheim gemak, W.C.; ~-beurs, eigen beurs: ^.-kantoor, eigen, particulier kantoor; ~-leven. 0. buitenambtelijk (bijzonder) leven; in mijn voor mij zelf, afgezien van mijn betrekking.

Lees verder
1914
2021-03-08
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

privé

privé - eigen, afzonderlijk; „privé-leven”: zijn leven als privaat persoon; „uit zijn privébeurs”: uit eigen beurs; „in mijn privé”: voor mij zelven,buiten mijn betrekking.

1898
2021-03-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Privé

Privé - o. geheim gemak; — in privé, voor zichzelven, voor zijn eigen.

Lees verder
1864
2021-03-08
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

privé

privé - o. geheim, gemak; in privé, voor zich zelven, voor zijn eigen; privé-slaaf, slaaf die nog afzonderlijk in dienst is