Wat is de betekenis van prik?

2022
2022-09-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

prik

1) (1991) (mar.) stroom. • (Fré Harmsen: Van baroe tot branie. Termen en zegswijzen bij de Koninklijke marine. 1991) 2) (2018) (straattaal) junkie. • Voor drugs zijn er ‘pak’ voor (een kleine dosis) cocaïne, ‘pitje’ voor een beetje wiet en ‘prik’ voor junkie. (NRC Handelsblad,...

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

prik

prik - zelfstandig naamwoord 1. laag geldbedrag ♢ je koopt dat boek voor een prikkie 2. steek met een puntig voorwerp ♢ ik voelde de prik van de naald 1. een prik halen bij de do...

Lees verder
1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

prik

m. (-ken), 1. lichte steek met een puntig voorwerp; ook: injectie: ik moet nog een prik hebben; 2. door prikken ontstane opening of wond: er zitten prikken van punaises op het behang; 3. op een prik, tot in de kleinste kleinigheid nauwkeurig: hij weet het op een prik; 4. bedrag dat men voor zichzelf heeft vastgesteld, subjectieve prijs: dat gaat...

Lees verder
1971
2022-09-28
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Prik

Prik - → Steekbaken.

1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Prik

s., prip, pjuk, stek.

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Prik

I. m. (-ken), 1. lichte steek met een fijn puntig voorwerp: een prik met een speld geven; 2. opening of wond door het prikken ontstaan: er zitten prikken van punaises op het behang; 3. op een prik, tot in de kleinste kleinigheid nauwkeurig: hij weet het op een prik; hij gelijkt hem op een prik, gelijkt precies op...

Lees verder
1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

prik

I. m. prikken (lichte steek met een puntig voorwerp; de hierdoor gemaakte opening): zegsw. iets op een prik weten, nauwkeurig. II. m. prikken (tot de rondbekken behorend visachtig dier, negenoog; Lat. petromyzon): de prik als aas bij de beugvisserij.

Lees verder
1933
2022-09-28
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Prik

→ Lamprei.

1933
2022-09-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Prik

→ Prikken.

1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

prik

I (-ken; -je) I. m. Eig. het prikken, lichte steek met een puntig voorwerp : iemand een met een speld geven. II. v. Metn. 1. vaak prikkend tal-, sprokkelhout. 2. ijzeren punt om mee te prikken : een onder aan een stok. 3. ingeprikte punt: een kaart vol -ken. III. m. Metf. 1. [van I] stekelige opmerking, hatelijkheid : al die -jes deren he...

Lees verder
1916
2022-09-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Prik

Prik, - ook wel Lamprei of Negenoog genoemd, visch uit de familie der Prikvisschen (Petromyzontidae). Bij ons komen drie soorten voor: de Beekprik, de Rivierprik en de Zeeprik.

1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Prik

Prik, m. (-ken), steek (met een puntig voorwerp); zek. soort lamprei; zoo veel men met eene vork kan opprikken; een - of prikje, kool; noot of amandel nog in den bast; (fig.) hij weet of verstaat dit op een -, hij is er zeer in bedreven; hij gelijkt hem op een - (zeer, precies). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine prik (in alle bet.); de chirurgijn heef...

Lees verder