2020-04-07

Pottentrien

lomp vrouwspersoon; boerentrien. Wat ziet die mama van Van Raven er uit. Net een pottetrien. (Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, 1901-1903) Ten eerste de waardin, een vette pottetrien... (De Groene Amsterdammer, 11/09/1926) Voor dikkertjes: zij is wel een matrone, pottetrien, een patapoef. (Agnies Pauw van Wieldrecht, Vin-je dat we een hoed op moeten? Persoonlijke herinneringen aan een bijna vervlogen levensstijl, 2003)

2020-04-07

pottentrien

v. (-en) vrouw die met potten, aardewerk vent.